En altijd weer

 

Dat machteloze wit.
Die hunkerende vingers.
Dit blauwe gevecht.

Met onverdraagzame gedachten.
En onherbergzame woorden.
Die oeverloze leegte.

Geschreven niets.

En toch weer de smurrie uitstrijken.
Nat van ongeduld.
Geen wachttijd voor rijping. Of onbeweeglijk geduld.

De ziekte van het impulsieve schrijven.

Ik kèn de koorts. En de diagnose.
Maar erger nog dan de incubatie, is de genezing:
vaststellen dat je nooit ‘een schrijver’ wordt.
 
En dàt aanvaarden. En verder moeten leven. Al schrijvend.

 

92.011