Liggend naakt. Jan Wiegers ( 1893 – 1959)
Het meer
(Matth. 8,23-27)
Met gesluierd gelaat, met naakte borsten
verscheen ons een vrouw op het woelige meer.
Ik roeide. Wie van ons die zij volgde
had in zijn bloed deze godsvrucht verbeeld,
deze melkwitte zonde, zacht als het water,
hard als de spiegel waarover zij liep?
Ik trok, de armen vol koorts, aan de spanen.
De Heer glimlachte raadsels. Hij sliep.
Toen schokten wij vast. Om ons schoot het riet
zijn zilveren pluimen. Het water werd slijk.
De Heer ontwaakte, vroeg wie hem riep.
Ik zweeg, de armen beschaamd langs het lijf.
Charles Ducal
°°°
Toen het nog lente was
lag zij naakt
in het genadige gras
als een melkwitte zonde
later toen het zomer werd
en ik in bloei stond
leek zij op deinend water
en was ik klaar voor een duik in de schaamte
maar het werd nooit wat
want tussen ons lag een Heer
met een goddelijke speer
en verijdelde een heerlijke aanslag.
PS.
Ontelbare keren heb ik gezondigd. In begeerte.
Maar ik was te laf of te laat.
En aan de overkant zag ik een ander.
Ongenaakbaar. Op het tochtige Paard van Troje.