Foto – Getty Images – DSL

 

Peggy zag je dat

Hoe een vlezig roze met zilver

langs oevers van vlekkend groen

en spetters die op de planken vloer

hemellichamen vormen

tegen de stroom in met al zijn kracht

boven het water aan de tijd ontsnapt

om iets voor te stellen in een bad

van licht. Een vis zo te zien

en dat hij wazig is

zullen we iemand kwalijk nemen.

Het is die glibberige vis wellicht

die van wateren naar water de ogen in

zwemt zich als latente voorstelling

opdringt. Mijn hoofd uit spat.

.

 

Maria Barnas

Citaat:

Soms schiet Barnas wat te ver door in het gepolijste, waardoor de meer lichamelijke gedichten niet altijd even overtuigend zijn. In ‘Ik lig hier zalig’, bijvoorbeeld, vraagt het lyrisch ik: ‘En wie beschadigt mij? Kijk nu/ niet weg. Ik lig hier zalig op de loer.’ Die woorden verbleken toch naast de experimentele lichamelijkheid van de poëzie van Els Moors of de exuberante seksualiteit in het werk van Annemarie Estor. Ook Barnas blijkt echter uitstekend met een rauwer register uit de voeten te kunnen. In ‘Bosachtig’, een van de sterkere gedichten uit Nachtboot, verschuilt het lyrische ik zich achter een boom om te plassen maar trekt ze haar broek niet goed omlaag, waardoor
‘het bloed// naar mijn kuiten afknelde en ik/ over mijn schoenen zeek’.

Het levert een sleutelvraag in de bundel op: wat doe ik eigenlijk achter die boom? Je kunt je afvragen of het volgen van de conventie hier ook niet neerkomt op boegbeeld spelen op een schip. Door het rauwe pissen zo expliciet te benoemen, komt Barnas in haar poëzie intussen alsnog achter de boom uit. Wie dat doet, vaart niet zozeer de dood tegemoet, maar spat zoals de vis van Peggy Franck het hoofd van de toeschouwer uit.

Maria Barnas Nachtboot. Van Oorschot, 68 blz., 18,99 €

Een boegbeeld op een voorwaarts stuwend schip

Onverschrokken en toch ingetogen vaart Maria Barnas in haar verzen de dood tegemoet. 

Uit De Standaard der Letteren – 4 januari 2019

.                                                             .°°° °°° °°°

 

 

Hoewel ik een vis ben,
schrok ik behoorlijk.
Nooit had ik gedacht uit je hoofd te kunnen spatten.

Ik zou al blij zijn met een bokaal. Op je schouw.

dag visserke-vis met de pijp

en

dag visserke-vis met de pet
 

 
Ook zou ik je willen vragen
onzichtbaar
achter een boom te plassen.

En niet met je broek op je enkels verder te fietsen.

Volgens mij getuigt dit niet
van gezond verstand.
En voor je het weet, ben je verkouden.

Ook in je hoofd. En spat je dan overmatig vissen.

 

 

 

PS.
Ik ben niet (meer) van deze wereld en deze tijd.
Ik ga niet achter een boom staan om me af te vragen
wat ik daar doe.
Laat mijn broek daar ook niet zakken.

Je hebt dan misschien eerder een gas-boete dan een verkoudheid.

Neen, ik word verdrietig
van deze woorden. En bedenkingen.
Ik had liever dat de twijgjes waren blijven staan. En geen papier geworden.

Zodat ze konden botten in maart. En ons vertellen dat het lente wordt.
 

 

Advertenties