No further questions, Your Honour.

 

Foto – juli 17, 2011 door Manu Schotte

Vanmorgen vroeg mijn zoon – hij was zijn schoenen aan het losknopen – hoe ik het minst graag zou doodgaan.
We waren net thuis van een montere wandeling, we hadden stokbrood gekocht en twee boules de berlin voor later op het strand.
Hij vroeg het op dezelfde werktuigelijke toon als toen hij daarnet had gevraagd hoe laat het was.

De waarnemer, zopas heuglijk heruitgegeven, is in wezen niets anders dan Kayzers 652 pagina’s lange poging om grip te krijgen op die absurde eindigheid hier.
En dat doet hij op eigenste wijze: door de ene sublieme vraag na de andere te stellen. Hij is zo goed in die vragen dat je vergeet dat je antwoorden zocht.
Ik weet niet of er een beter vergeten bestaat.

Misschien wil ik toch zeker niet sterven van eenzaamheid, opper ik. Hij zegt dat je daar toch niet aan kunt doodgaan, ik zeg dat ik dat betwijfel.

Uit De Standaard der Letteren – 30 juli 2022 –

°°°

.

 

 

Angst

Zoals ‘verdriet’
zijn er vele soorten.
Angst.

De kleine en de Grote.

Je kent ze wel.
Die voor Sinterklaas. De brave man.
De Hel. Vroeger.

En de man die je achterna reist tot in Ispahaan.

.

 

PS.
Later die dag zie ik hem als steeds vol verlangen naar de zee sprinten, als steeds zonder aarzelen het water in lopen, als steeds vol verwachting de golven in duiken, het leven tegemoet.

Van angst, bedenk ik. Natuurlijk. Dat is het. En ik wil het hem al toeroepen. ‘Ik zou het minst graag stoppen met leven uit angst!’

+++

.

Sotto Voce

Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo’n pijn,
maar het afgesneden zijn.

M. Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten.

+++

.

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” –

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

“Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
“Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”

Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ‘t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.”

P.N. van Eyck