opgepast voor het NU

Foto uit DSL – © Zoonar/Julie Woodhouse

 

Eigenlijk kan ik helemaal niet klagen. Zowat mijn hele leven al ben ik erop gewezen: dat ik het nu moet doen, dat léven.

Zelfs tot onlangs, een heel eind leven later, lang na de korte broek op de vliegende koersfiets, ben ik gewaarschuwd. Dankzij iemand, een dokter nog wel, die het beter kan weten. Omdat hij al heeft gezien wat ik zelf nog altijd niet weet: hoe het zal zijn straks, of morgen, nadat ik een heel leven mordicus in het nu zal hebben geleefd.

En nu dus, nu ik echt mijn best heb gedaan, na al de waarschuwingen, nadat ik nog maar eens al mijn armen heb gespreid om de liefsten, nu ik me na al de jaren nog niet eens heb kunnen vervolmaken in de inleiding tot het tweede, wonderlijke hoofdstuk van de Kamasutra, waarin wij leren zoenen. Nu ik mijn hebben en houden om de twee dagen even probeer te overschouwen, om er zeker van te zijn.

Nu zit ik toch met een vraag.

Hoe moet ik in godsnaam te weten komen ‘wat ik nog wil doen’? Vóór morgen.

Uren heb ik erover gepiekerd, in mijn paniek. Als verlamd zat ik te staren naar de verlopende middag, me intussen radeloos afvragend wat ik nu wilde, nu. Terwijl wolken kwamen en gingen, bellen her en der de schooldag uitluidden, de ring in de verte aanzwol en de schemering vreemd vroeg aanving.

En in het staren begon allengs langzaam iets te zingen. Ik wist niet precies wat ik hoorde, maar ik wist ineens wel, dit is wat ik wil. Nu. En morgen. Nog.

Uit Si & la – Bernard Dewulf – Het Weekblad van De Standaard – 19 januari 2019

.                                                             ***

 

 

 

Daar staat het NU.
Dreigend. Zoals de Twin Towers.
Klaar om in te storten.

Ik hoor het NU tikken.
Een tijdbom. Ongenadig en uitdagend.
Het laat zijn bijtende tanden zien.

Als een gevaarlijke hond. Ik vlucht. Ik ben een loser.

Het achtervolgt me. Ik verschuil me.
Gelukkig ontsnap ik soms.
Als ik indut. In mijn barmhartige zetel.

Een vluchthuis voor oude mannen.
Terwijl in de boekskes
viriele senioren de dag en de vervlogen meisjes plukken.

Als ware het pruimen aan een te hoge boom.

 

 

PS.
Een mens mag er niet over nadenken.
Of hij wordt er ongelukkig van.
Wat doe ik met mijn ongeduldig NU?

Het wordt pas echt erg als de truukjes op zijn.
De afwas weer rein als een eerste communiekant.
Het stof veranderd van plaats. Tot nader order.

De strijk en de was, deskundig verborgen.

Maar dan?

Dan gaapt de tandeloze tijd je aan.
Jaagt je naar tv of krant.
De frivole vitrines in de stad.

Een verwarmd terras. Een nieuwe koffiebar.
Maar als die op zijn.
En hun hype alweer begraven en vergeten.

Wat moet er dan met ons gebeuren? Ik begin alvast aan mijn boodschappenlijstje.

 

 

 

Advertenties

een lege plek voor iemand…

Afbeeldingsresultaat voor grote boom
Foto – Internet – Ten Hoven Bomen

 

 

‘O, wat haat ik fake, nederig gedoe als “Strooi me maar gewoon uit onder een boom”. Nee, ik wil een stuk land en een groot mausoleum, zoals de victorianen dat hadden: met bloemen en engelen en plaats voor mijn kinderen. Ik ga heel triest zijn als ik moet sterven, ik hoop dat anderen dat ook zullen zijn en dat ze een plek zullen hebben waar ze kunnen treuren. Het mooist zou het zijn mocht ik een plaats kunnen krijgen op Paddington Cemetery aan Willesden Lane in de Londense wijk Brent. Op de zerk wil ik graag een regel van mijn man Nick (Laird, ook een schrijver, red.) die ik heel mooi en waar vind: Time is how you spend your love.’

….

De Britse Zadie Smith (43) met deels Jamaicaanse roots brak in 2000 door met ‘Witte tanden’. Haar recentste roman is ‘Swing time’.

Uit De Standaard der Letteren – Opgetekend door Katrien Steyaert – 18 januari 2019

.                                                                ***

 

 

Neen, liefste,
niet later maar nu.
Wil ik een plek.

Voor jou en mij.

Waar de tijd
ons wiegt.
Als het riet aan groene oevers.

Zodat wij nooit verlangen naar de overkant.

 

 

PS.
Er was een tijd
dat ik graag flaneerde.
Langs de doden. En hun uithangborden.

Zerken als afdrukken
van hun leven.
En de stilte. Die hun eenzaamheid bedekte.

.                                         °°°

 

 

XIV
Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

Een lege plek om te blijven is de vijfde bundel van Rutger Kopland.

 

 

 

 

 

Partir c’est mourir un peu…


Foto – De Morgen

 

 

En toen verscheen de Boekenbijlage voor de laatste keer in deze vorm. Later zal men zeggen: ‘Weet je nog, toen het literatuursupplement van De Morgen nog op woensdag was?’ en vooral: ‘Ik was echt dol op de columns van Ellen.’ Aan alles komt een eind en zo ook aan deze bijdrage.
Dat is jammer, maar om de boel met Woolfs To the Lighthouse meteen lekker te relativeren: zelfs de steen waar je met je schoenen tegenaan trapt, houdt het langer uit dan Shakespeare. Toch wil ik deze laatste aflevering gebruiken om u een klein hart onder de riem de steken.

Sommige mensen zijn bang dat straks geen hond meer leest, zeker omdat onderzoeken keer op keer uitwijzen dat de gemiddelde persoon meer tijd besteedt aan internet, games en series dan aan een boek of bundel. Bovendien is lezen soms een indringender en ingewikkelder vrijetijdsbesteding dan een avond comaklaverjassen. Literatuur kan je, om het met Schiller te zeggen, tijdelijk van je emotionele vrijheid beroven, en dat zorgt ervoor dat je er niet altijd zin in hebt.

En toch. Er is in mij, en in u, een honger die alleen door literatuur kan worden gestild. Een kennis die je op geen andere manier kunt verkrijgen. Neem nou de vroege Grieken. Sophocles schreef Antigone, waarin een jonge vrouw sterft omwille van haar principes. Euripides schiep Medea, waarin de personages ten onder gaan aan hun egoïsme. Een bekende uitspraak is dat Sophocles zijn personages portretteert zoals mensen zouden moeten zijn: heroïsch, principieel, devoot, zelfontziend, en dat Euripides de mens toont zoals hij ís: chronisch verongelijkt en berekenend, slaaf van zijn emoties.

De betere literatuur vormt, naast een bacchanaal van ritme en betekenisbotsingen, ook een spiegel. Al lezend verhouden we ons. Proza herinnert ons eraan dat we ons soms bijna even onverantwoord als Medea gedragen terwijl we zo moreel onbevlekt als Antigone probeerden te zijn. Het toont de aloude spagaat tussen wereld en ideaal, net zoals poëzie een blik gunt op onze persoonlijke werkelijkheid en de dimensies daarnaast, zowel de lelijke als de gedroomde. En bij de beste teksten, zoals het gedicht van Marie Howe hier afgebeeld, ontstaat er een prismawerking waarbij in het bestek van slechts 36 woorden talloze universa kunnen worden opgeroepen: werelden vol afscheid, verdriet, teleurstelling en dood, maar ook met de belofte van groei, inzicht, ervaring, vreugde.

Laatst vroeg een van mijn studenten wat nou het nut van literatuur is, een vraag die ik op deze plek ook enkele keren onder de loep heb genomen. Het meest compacte antwoord las ik bij de Britse schrijver C.S. Lewis: ‘Sommige dingen zijn niet per se nuttig. Vriendschap is niet per se noodzakelijk, evenals filosofie en kunst. Ze zijn niet doorslaggevend om te overleven, maar het zijn wél de zaken die het overleven de moeite waard maken.’ Ik gun u zo’n overleven, en dank u voor al uw aandacht en warmte.

.                                                                               ***

 

 

VEERTIEN

Ze is nog steeds van mij – voor nog ongeveer een jaar,

maar ze kijkt al langs me heen
door de deur van het uitvaartcentrum

naar waar de jongens zich hebben verzameld in hun zwarte pakken.

 

Marie Howe, Magdalene, Norton & Co 2017, vertaling Ellen Deckwitz

 

.                                                                                  ***

 

 

Sterven
doe je elke dag een beetje.
Maar vandaag
iets meer.

De Morgen.

Is niet alleen een Krant voor mij.
Maar veel meer.
Bernard Dewulf & Camps.

Op ‘den één’.

Dewulf die buiten gegooid werd.
Omdat hij durfde te protesteren.
Maar Camps schreef verder.

De Morgen
was een boekenbijlage voor mij.
Het Nieuws slechts wat oud zeer.

Uitgelezen.

Jarenlang doorbladerde ik
onder deze heerlijke titel
de recensies. En Columns.

En nog later
werd ik verliefd op haar.
Elke woensdag was ik dichter bij Ellen.

Stiekem voelde ik me ook een dichter bij haar .

 

 

PS.
Het was digitaal schrikken deze ochtend.
De laatste ‘Dichter bij Ellen’.
En als ik het goed begrijp dan verdwijnt
de Boekenbijlage op woensdag.

Weer een Monument van zijn sokkel gevallen.

Ik hoop dat De Standaard der Letteren deze tijd overleeft.

 

 

zelfs een dode schrijver heeft lezers nodig

 

 

Afbeeldingsresultaat voor De wereld in jezelf
Foto Cover – Internet Goodreads

 

Zou ik ook schrijven als het niet voor het geld was? Dus als er geen lezers waren? Ik denk het wel. Dan zou ik schrijven alsof er lezers waren. Zoals Stendhal, die zich richtte tot ‘de lezers van 1880’, dus van na zijn dood. Rijk zou hij er niet mee worden, maar waar het hem om ging, was dat hij lezers in meervoud nodig had. Weliswaar niet in het heden, maar in de toekomst zouden ze hem weten te vinden. Hij kon niet anders dan daarop hopen. Wie niet gelezen wordt, bestaat niet. De schrijver heeft het eerste woord, maar de lezer heeft het laatste woord. Zonder dat laatste gaat het niet. De aantallen bewijzen de kwaliteit, daar valt in je eentje niet tegenop te prijzen. Zodat we kunnen vaststellen dat zelfs een dode schrijver lezers nodig heeft om zijn bestaan te bewijzen.

Citaat uit het essay: ‘Het raadsel der verstaanbaarheid’ – Pag. 263 – – P.F. Thomése
Uit De wereld in jezelf

.                                                                    ***

 

 

 
Ik schrijf
alsof er lezers zijn. Meervoud.
Hier en nu.

Niet voor later. Na mijn dood.

Neen, voor vandaag.
Desnoods voor morgen.
Of wat later.

Maar alleszins terwijl ik nog leef.

Mijn meervoud
is minuscuul. Soms
geen twee handen vol.

Soms een eenzaam priemgetal.

En toch
tokkel ik op een zondagavond.
Op deze gewillige toetsen.

Ze laten zich gaan. Wellicht uit barmhartigheid.

Om mij te troosten.
In mijn oefening
om te bestaan.

Zelfs als jij me in de steek laat.

 

 

 

Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.

Afbeeldingsresultaat voor schapen+herder
Foto – parochie RK Amstelland

 

 

Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.

Herman de Coninck

 

 

Demets’ gedichten roepen voortdurend zo’n gevoel van onbehagen op. Deze poëzie prikt.

Het sterke aan De klaverknoop is dat het niet slechts bij zo’n emotioneel spanningsveld blijft. Het gaat hier ook om een analytische, zelfs filosofische bundel, waarin de stemmen van poststructuralistische Franse denkers rondwaren. Het begint al bij het beeld van de knoop, dat gezien de titel een ­centrale rol in de bundel heeft.
‘In die ­knoop// zitten wij gevangen’, schrijft Demets in de cyclus ‘Vaderhand’: de gezinsband is niet te verbreken; de moeder ‘dirigeert ons nog als een halsstarrig koor’. De knoop is echter evengoed verbonden aan de psychoanalyticus ­Jacques Lacan, bij wie de werkelijkheid een kluwen is waarin het reële, het imaginaire en het symbolische met elkaar verknoopt zijn. Met Lacan, bij wie hij het overkoepelende motto voor zijn bundel vond, is Demets van mening dat die knoop nauwelijks te ontwarren is. De wereld die hij in taal oproept, kan daarom nooit een probleemloze representatie van het leven zijn. Verknopen is nu eenmaal altijd verbonden met mislukking (de lacaniaanse ‘ratage’).

‘Zo diep/ zijn we verknoopt dat ik tot hen lig te verpoppen./ We hebben hetzelfde bloed. We kunnen met verworden niet stoppen.’ Dit ‘verworden’ is een centraal concept in de filosofie van Gilles Deleuze, de andere poststructuralist aan wie Demets een motto ontleent.

Gedichten die verpoppen

Paul Demets zet de gezinsverhoudingen op messcherp in zijn filosofische dichtbundel 
De klaverknoop
Uit De Standaard der Letteren – 11 januari 2019

.                                                          °°°

 

Sprookje

Van de vlinder
die niet meer wilde verpoppen.

°°°

 

Wat betekenen ‘geloof en hoop’
als er geen liefde (meer) is.

Als de vlinder versteent.
In de pop.

Nooit haar vleugels zal openslaan.

Misschien komt er wel een tijd
dat een larve geen vlinder meer wil worden.

Ach, ik schrijf maar wat.

Zopas na het lezen van een recensie.
Waarbij je filosofisch geschoold moet zijn om door een gedicht te kijken.

Terwijl taal toch een vitrine van vermoeden moet zijn.
En zo poëtisch als een doorkijkblouse.

De tijd wordt stilaan een drempel.
Waar ik niet meer over geraak.

Mijn woorden worden moe. Mijn ogen ook.
Van zoveel onverstaanbaarheid.

 

 

PS.
Kopland en Campert.
Geen filosoof nodig om te lezen wat ze schrijven.

Geen recensent of docent die je moet uitleggen wat er staat.
Het leven volstaat.

Ook in de verzen van Herman de Coninck
duiken geen filosofen onder.

Het zijn gewoon afdrukken op een venster, lenig als de liefde,
zo helder als het blauw in:

ik hou van jou.

 

 

 

 

schrijven is uitvinden wat er in je leeft

Afbeeldingsresultaat voor hand+pen+brief
Foto – Internet

 

 

Zijn brieven 

 

Dit zijn zijn brieven, ze ruiken naar
oud papier, de inkt is grijs
ja, zo was zijn handschrift, zo zagen
zijn brieven er altijd uit, dit was hij

schrijven is uitvinden wat er in je leeft
op dit papier heeft hij dat geprobeerd

schrijven is lezen, een poging te lezen
wat een ander leest – die ander was ik

dit is wat hij met zijn hand maakte, deze
letters, ze zijn zo van hemzelf dat hij

terugkeert – hij is er weer met zijn gezicht
zijn stem, zijn handen, een glas, een sigaret

en tegelijk is het niets anders dan
papier dat verstoft, inkt die verbleekt

 

 

 

Rutger Kopland
Uit: ‘Een man in de tuin’
Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2004

 

.                                                          °°°

 

 

Ik zondig
tegen mijn handschrift
en de inkt

het geduld
van een pen
en het wachten van wit papier

ik ben digitaal gemuteerd

zonder geur
die aan mijn woorden kleeft
steriel en overbodig snel

zonder ochtend
die wakker wordt
in mijn aarzelende vingers

maar toch ben ik jouw brief.

 

 

PS.
Zopas zag ik de ochtend wakker worden.
Onbeschrijflijk waren de kleuren.
Een antidotum voor de krant.

En dan verlang ik naar een stukje Kopland.

Gisteren schreef een nichtje
mij een ambachtelijke brief.

Met tijd tussen schrijver en lezer.

Ik mailde al een antwoord.
Met de snelheid van het licht.

Misschien licht hij nu op in haar e-box.

Wij – de pluralis modestiae

 

 

 

 

ZIJ leidt mij door het huis. Een Villa in mijn Antwerpse Kempen.
Het raam toont mij de tuin.
De vogels spelen verstoppertje. De bomen groeien uit de eeuwigheid.

Geen schilder evenaart dit schilderij.
Ik ben blij samen met de gastvrouw.
Daar woont de Schoonheid en de Troost.

Zo heb ik mij altijd een schrijvershuis voorgesteld.

°°°

 

 

De bouwmeester en de denktank spreken
gestreng. In de Pluralis majestatis.
Ex cathedra. En dus onfeilbaar.

WIJ leven boven onze stand.
WIJ moeten leren delen.
ONZE tuin. ONS bad. En ONZE zetel.

WIJ… WIJ … WIJ…
maar WIE is WIJ,
vraag ik me af.

De hyperactieve psychiater beticht ONS
van “afgunst”.
WIJ willen hetzelfde als ZIJ.

Populisme!

WIJ moeten leren een beetje ongelukkig te zijn.
En de gewonigheid nastreven.
WIJ weten niet hoe erg het is om ‘rijk’ te zijn.

Wat zouden de rijken graag minder hebben.
Arm maar proper.
WIJ zouden ons beter inspannen om het klimaat gezond te maken.

WIJ!
.

.

PS.
Heerlijk hoe de filosofe daar woont.
Alleen en van geen mens gestoord.
Tenzij misschien door de vogels en de wind
en het zingen van de bomen…

PS.
Ik wens ieder mens een nest en een plekje in de zon.
En dat de betonstop
hen niet in vogelkooien moge stoppen.

Een volière vol gehakketak en gekissebis. CO-Housing.

PS.
Mij kunnen ZE niet verdenken van afgunst.
Ik woon hier op een woonerf.
In een waterwinningsgebied. Waar stilte en rust mekaar overtreffen.

Ik heb al gedeeld: mijn stukje is 1a 23 ca groot!

Ik ben verontwaardigd en beschaamd
in naam van zovele anderen
die zich dit niet kunnen veroorloven.

ZIJ is niet gelijk aan WIJ.

 

 

***

 

 

 

VRT-NWS – Heet van de naald. –

“CEO Jackpot Day”: Bazen Bel-20-bedrijven hebben nu al uw jaarloon verdiend

De topmanagers van de Bel-20-bedrijven hebben vandaag al evenveel verdiend als een doorsnee werknemer in een heel jaar.
Het gaat om iets meer dan 43.000 euro op nog geen zes werkdagen tijd. Dat rekensommetje maakte de Franstalige christelijke bediendebond CNE. Die doopte 8 januari daarom om tot ‘CEO Jackpot Day’.