La chambre des mots-perdus

 

Een brief mist veel.
De mimiek van een gezicht,
het timbre van de stem,
de taal van een lichaam.

Een gans alphabet dus.

Maar hij heeft het voordeel
van de traagheid.
De bezinning. Het schaven en polijsten.
Het schrappen.

De tempelslaap.

Scripta manent.
De woorden van een brief kan je bewaren.
Herlezen. Ze worden duidelijker
met de tijd. Of onbegrijpbaar.

Verba volant.
De woorden van de adem
vlinderen uit je lippen. Wat schots en scheef.
Ze lossen meteen weer op. Luchtbellen.

Vluchtig. Ongrijpbaar. Onhoudbaar.

In een gesprek kan je meteen bijsturen.
De vraag en het antwoord.
Nuanceren telkens wat voorafging.

In een brief
staat er nooit wat er staat.
De lezer veronderstelt en interpreteert.
Het difficiele wit tussen de regels.

La chambre des mots-perdus.

 

 

PS. ‘Mots-perdus’ cfr. ‘pas-perdus’. Met of zonder verbindingsteken. Wat is nu correct? Ik vind beide.

 

°°°°

 

PS. 2019
We zijn zes jaar verder. En nog lopen ze verloren.
Mijn woorden.

Zopas de afwas gedaan met Leonard Cohen. Ik dankte hem vriendelijk.
‘Ach, hij had toch niets anders te doen. Ginder aan de overkant.
Hij verveelde zich er stierlijk.’

En toen dacht ik aan dit wonderbaarlijk citaat:
“De verveling was een natuurlijk onderdeel van de tijd die verstreek.
Het was een habitat die was voorzien en gewaardeerd.
Benjamin, *…, zei:
de verveling is de betoverde vogel die het ei van de ervaring uitbroedt.”

Uit De barbaren – pag. 112 – Alessandro Baricco

 

*
https://nl.wikipedia.org/wiki/Walter_Benjamin

Advertenties

tussen verlangen en vertrekken

Het oneindige vertrek

 

Ook in het alfabet
verlang ik meer dan ik schrijf
het wit absorbeert
meer dan ik me herinner

de taal van je handen
de letters op je lippen
de bodem van je ogen

de aarzeling van je voeten.

 

.                                  °°°

 

Ik verlang, dus ik besta

 

Misschien,
leefde ik mijn leven
wel in de veilige haven
van het verlangen.

Dat heerlijke gevoel
zonder daadkracht.
Dat eiland van wachten.
Vluchtheuvel voor gemis.

Die passieve passie.
De tedere bunker
van onze hunkering.

Waar weemoed als een web
over gisteren hangt.
En later altijd morgen is.

En de geliefde iemand anders.

 

.                                °°°

 

PS.
Ondertussen verjaarden de dagen.
Water vloeide meanderend naar de zee.
En ik veranderde. Niet en dagelijks.

Maar nu en dan is het goed
om oude woorden af te stoffen.
Zonder het craquelé te raken.

Zo lees je beter de rimpels op je verlangen en gemis.

 

regen in Oostende

Afbeeldingsresultaat voor regen in oostende
Foto – Internet – Meteovista

 

Peeters stopt het niet onder stoelen of banken: Kamer in Oostende – zijn veertiende roman – is opgezet als een ode aan (mannen)vriendschap én serveert een gloedvolle serenade aan het weerbarstige Oostende. ‘Wij bladerden door de stad, alsof zij zichzelf in stapeltjes had klaargelegd voor ons.’ …

Peeters prettige stijl voert je achteloos mee langs de dijken, stranden, hotels, cafés, burgerwoningen of verdwenen plekken van Oostende. Bovendien wemelt dit boek van de ragfijne observaties: ‘In een vitrine staan sanseveria’s die overleven zonder de liefde van de klant’. …

Koen Peeters (°1959) pulkt aan de ruwe bolster van Oostende en struint onvermoeibaar door de kuststad. Het meanderende Kamer in Oostende groeit uit tot een hoogst tedere ‘wandelroman’.

Uit een recensie van 

 

.                                                                      °°°

 

Kamer in Oostende

 

De titel van een boek
wakkert mijn vingers aan.
Zoals de wind een vlag.

Regen wordt het dak
van de zee. Vandaag.
De dijk een slijmerige pier.

Die zich langs slakkenhuisjes
kronkelt.
Glinstert.

Gezien door een gordijn van druppels.
Alles wordt klein.
Vanuit vogelperspectief.

Alleen de hemel nadert de zee.

 

 

 

 

PS.
Webcams bespieden de Noordzee alsof ze klaar staat.
Voor D-Day.
Het regent in Oostende. O, wat mis ik de stem van de zee.

De golven zijn doofstom. Spreken enkel haar gebarentaal.
Schuimend van verlangen.
Om aan land te gaan. Haar onbegrepen geliefde.

.                                          °°°

 

Oostende

Hoe we de zee achterlieten
een stad van water
verlaten zonder geliefden

en meeuwen als tranen
op haar strand
heimwee dat traag overtrok

in hopeloze wolken.

 

 

 

 

 

De anatomie van weemoed

 

Opwaaiend gras
acht noten Bach
en appels aan de bomen

het blozen van haar wangen
pimpelmezen in de hagen
en zon over het gele koren

een oude ansichtkaart
met blauwe woorden
en onze koffers in de gang.

 

18-07-12

 

 

 

 

 

de barbaren

Ik word niet stil van de natuur. Laat ik dat maar meteen opbiechten. Zet me af in een stiltegebied en ik word rusteloos. En al wandel ik graag eens rond in die natuur, ooit zelfs urenlang, en word ik daar ongetwijfeld gelijkmoediger, lichter, ja zelfs vrolijker door, echt stíl krijgt de natuur me niet. Ik besef dat dit voor anderen wel zo kan zijn en ik gun het ze uiteraard. Maar misschien spreken we over een verschillend soort stilte, in de soorten stilte die er bestaan. Of die we bedenken.
Ik word stiller van de geschilderde dan van de echte natuur.

Dat is geen boutade, het is mijn beleving. En de natuur kan ik in dit verband rustig uitbreiden naar de hele werkelijkheid. Die werkelijkheid heeft de schilderkunst verdeeld over drie hoofdgenres: landschappen, stillevens en portretten – de natuur, de dingen en de mensen, met al de bijbehorende varianten. Naar alle drie, en de varianten, kan ik langer kijken dan ik wandel. En talloos zijn intussen mijn ervaringen van stilte, of noem het ‘verstilling’, in onderling zeer uiteenlopende schilderijen.

Of het nu een naakt van Ingres, de flesjes van Morandi, een portret van Vermeer of een landschap van Patinir betreft – om voor de vuist weg wat te noemen – telkens weer heb ik in die schilderijen een stilte gezien die ik nergens anders hoor. In die laatste zin verraad ik al meteen het raadsel waarover ik wil spreken. Ik zie inderdaad meer stilte dan dat ik ze hoor.

Logischerwijze wordt stilte in de eerste plaats als een auditief verschijnsel ervaren. Dat soort stilte wordt, zoals bekend, in onze huidige wereld almaar zeldzamer.
En er is ook, bijvoorbeeld, de stilte van het gebed, er zijn de rusten in de muziek, er is de stilte van een rustgevend geluid, zoals dat van de zee, een beekje, enzovoort.

En ergens las ik dat er wezenlijk twee soorten stilten zijn: de akoestische en de innerlijke. De objectieve en de subjectieve, zeg maar. Die niet per se verband met elkaar houden.
Het zal allemaal wel, maar ikzelf kan nu eenmaal slechts vaststellen dat ik de meest intense momenten van stilte heb beleefd, niet in het niet-horen of het niet-luisteren, niet in het gebed of in de meditatie, en ook niet ergens schuilend voor het razen van de huidige wereld, maar eenvoudigweg in het kijken.

.                                               °°°

 

Het is Pinksteren. En ik lees een boek. De barbaren van Baricco.
De wind is stilgevallen. Na drie dagen woeste aanvallen.
De vogeltjes zingen de hitparade. De kikkers zijn eindelijk in slaap gevallen.

Mijn terras is een stiltegebied. De hemel op aarde. En van geen mens gestoord.

Mààr… plots schreeuwt er zo’n metalen monster de rust open.
Een goddeloze buur jaagt de Heilige Duif op de vlucht.
Terug naar zijn nest in de Hemel. Naast die Twee Anderen van de Drie-eenheid.

In illo tempore was er op zondag absolute rust.
Geen machine of mens te horen.
Slechts het frazelen van hagen. En het wiegen van het koren.

O, wat heeft de mens veel verloren. Onderweg naar zijn rijkdom.

Het besef. Gekoppeld aan respect. Hoffelijkheid.
En het zwijgen.
Voor en na het beginnen van een gebed. Een gesprek.

Facebook was toen nog niet geboren.

 

 

PS.
Ik beken het maar meteen: ik ben een barbaar.
Maar, ik pleit pro domo, een hoffelijke.

De man die het lawaai organiseert is een apotheker.
Die heeft gestudeerd. En kent de belangrijkheid van kleine dosissen.
Maar een diploma is geen garantie voor beschaving.

Bij de familiediners vroegen wij altijd aan dezelfde persoon
om de wijn te proeven. Een ingenieur.
Hij voelde zich daarbij gewichtig. Liet het ritueel duren.
Alsof ons leven in gevaar was.

Wij slaakten dan telkens een zucht van verlichting,
wanneer ‘de garçon’ niet terug gestuurd werd.
Totaal onkundig in de geschoolde woorden en smaken.
En gelukkig ontheven van alle obligate praatjes.

 

 

van de schoonheid en de troost

 

Afbeeldingsresultaat voor eekhoorn+mier+tellegen
Beeld – Internet

 

Ze zaten naast elkaar op de tak voor het huis van de eekhoorn. De zon scheen en ze probeerden te bedenken welke verjaardag ze nog nooit hadden gevierd.

Plotseling kwam er een zwarte wolk voor de zon.

“De regen ook?” vroeg de eekhoorn.

“De regen?” vroeg de mier verbaasd.

“Ja”, zei de eekhoorn.

De mier moest heel diep nadenken. Toen zei hij: “Ja, de regen ook.”

“Maar hoe viert hij zijn verjaardag dan?” vroeg de eekhoorn.

“Nou….”, zei de mier en hij dacht weer diep na. Hij kneep zijn ogen stijf dicht, ging op zijn linker voorpoot staan, toen op zijn rechter achterpoot, en zei: “Vallend. Hij viert hem vallend.”

“O”, zei de eekhoorn.

“Hij laat zoete druppels vallen”, zei de mier, “en soms ook een gestoofd buitje.”

“Een gestoofd buitje??” vroeg de eekhoorn.

“Ja hoor”, zei de mier. “En als hij een mooi cadeau krijgt dan klettert hij en spat hij hoog op.”

“Van wat voor cadeaus zou hij houden?” vroeg de eekhoorn.

“Nou…”, zei de mier en hij dacht weer heel diep na. “Van greppels houdt hij, met oude bladeren erin, en van rul zand, en van het voorjaar…”

De eekhoorn zweeg. Hij probeerde zich voor te stellen hoe hij het voorjaar zou inpakken en dan naar de regen zou toelopen en hem zou feliciteren en zijn cadeau zou geven en hoe de regen dan het voorjaar zou uitpakken en uitgelaten in de lucht zou gooien. Zou hij mij bedanken? dacht hij. Maar hoe zou de regen iemand kunnen bedanken? Hij kon zich dat niet voorstellen. De mier kan zich dat wel voorstellen, dacht hij. Die kan zich alles voorstellen. Die kan zich zelfs honingtaarten voorstellen die fluitend in bomen klimmen en naar beneden vallen, vlak voor je voeten, als je ze dat vraagt.

Het was een tijd stil.

“Beukenoten kunnen ook jarig zijn”, zei de mier opeens, terwijl hij peinzend de lucht in keek.

“O ja?” vroeg de eekhoorn.

“Ja”, zei de mier. “Vooral zoete beukenoten. Die kunnen heel goed jarig zijn. En hun liefste wens is om op hun verjaardag opgegeten te worden.”

“Ach…” zei de eekhoorn en hij schudde zijn hoofd van verbazing.

“Toevallig”, zei de mier, “heel toevallig zijn ze vandaag jarig, wist je dat?”

“Nee”, zei de eekhoorn. Hij stond op en vroeg zich af waarom hij niet eerder had geweten dat zijn zoete beukenoten die dag jarig waren. Dan had hij hun verjaardag die ochtend al gevierd. Maar ja, dan hadden we nu niets meer te vieren, dacht hij. Hij ging vlug naar binnen en haalde al zijn zoete beukenoten met een zwierig en feestelijk gebaar uit zijn kast.

 

 

Het ouderdomsrecht

Afbeeldingsresultaat voor de erfenis palmen

 

 

Zij had tegen hem gezegd dat ze er helemaal geen zin in had te gaan reizen en nieuwe ervaringen op te doen, dat ze nog lang niet klaar was met haar voorbije ervaringen en dat die een zeker ouderdomsrecht hadden.

‘Het is mijn geluk dat ik mijn geluk al vroeg heb ik leren kennen,’ zei ze tegen mij, ‘dus ik wist dat het voor mij niet in het bewegen, maar in het stilzitten zat, dat ik niets anders wilde doen dan wat ik deed  en dat ik door wilde gaan met lezen, nadenken en schrijven.’

Uit ‘De erfenis’ – pag. 20 – Connie Palmen – Boekenweekgeschenk 1999

 

.                                           …

 

Schrijven is reizen.
Weggaan en toch blijven.
Nooit vertrekken om altijd aan te komen.

Een trektocht. Naar je binnenkant.
De terra incognita van je gedachten.
Soms worden het gedichten.

Als ze dicht tegen je aanleunen.
De lezer en het leven.
Kan je verder reizen?

Dan enkele regels.
Een lege plek.
De hunker om te blijven die het vertrek nog even vasthoudt.

 

 

.                                                                   °°°

 

 

PS.2019
De woorden hierboven zijn oud.
In mijn hoofd groeien er geen nieuwe. Momenteel.
De hunker is verdord.

Vooral het waarom.

Wanneer ik mezelf niet meer kan overtuigen,
dan blijven ze hangen.
In mijn lakse vingers.

De erfenis van mijn gedachten is voor later.