alleen gebroken naakt is mooi…

 


GVA – Internet

Mensen zijn bang iets te missen bij mooi weer, het is de omgekeerde wereld. De stoeten op de boulevards van de kust zijn een kluwen. Terwijl iedereen een zee van tijd heeft, ontstaat hitsigheid en gejaagdheid. Wellicht een gevolg van territoriumdrift – de jacht op het beste plaatsje van strand en terras. We zijn halvelings ontkleed, maar ontvouwen ons niet. De zomer is een groot bedrog.

Laatst stond een geliefde voor haar garderobe. Verlangend keek ze naar de herfstkleren die ze zich net had aangeschaft. Ze wou graag meteen in het leren jasje van Jil Sander springen. “Want dan zie je dat de schoonheid van een vrouw begint in de rug.” Ze verlangde naar kasjmier. Eerder hoorde ik haar zeggen: alleen gebroken naakt is mooi. Naakt wordt pas naakt bij lichte aankleding.

De zomer maakt zichzelf lelijk. De vestimentaire verwildering is een esthetische aanslag. Mannen in korte broek en sandalen horen gestenigd te worden. Vrouwen in sponsachtige vodden zijn niet om aan te zien. De zomer heeft geen streep gala. Alleen al daarom is de schreeuw naar herfst verlossend. Het veilige gevoel van een stukje stof op je huid als Wiedergutmachung.

Hugo Camps uit De Morgen van 1 augustus 2019

 

.                                                               °°°

 

Ik vergeet graag. Zeker wanneer ik zo’n regels nog eens mag lezen.  Als voor het eerst.
De foto verhevigt zijn woorden.
En verbeeldt toch ook een contradictie.

Tevreden dat Hugo zijn Boergondische boeg
beschermt tegen de blikken.
Ogenblikken van onachtzaamheid kunnen tot kwetsuren leiden.

Maar zijn geliefde daarentegen, had ik liever anders gezien.
In gebroken naakt.
Nu verdwijnt zij onterecht. In de hitsige reclamewereld.

 

 

PS.
Oude schuren. Ach, ze branden bij nacht en ontij.
Zomer en winter.
Alle seizoenen zijn goed voor het vuur van de begeerte.

Wanneer ik naar de levens van rijken en de elite kijk,
dan denk ik: zij leefden het leven en de liefde voluit.
God noch gebod hield hen tegen.

Ook de zonde en de Kerk niet.
Het is zowat als de treurige spreuk: geld maakt niet gelukkig.
De armen weten wel beter.

PS.
Ik keek naar een docu over Onassis, Callas & Jacqueline Bouvier.
En de overtreffende trap van de Kennedy’s.
De beau monde zoals die is.

Het treft mij hoe deze heren en dames zich overgaven.
Aan de lust & de liefde. Sans gêne.
Onze blozende en schuchtere Campert kende er ook wat van.

Dat lees ik in ‘een knipperend ogenblik’.

 

 

 

 

 

Advertenties

Hugo groet ’s morgens de herfst…

Afbeeldingsresultaat voor hugo camps
Foto – HLN

 

Hittegolf of niet, de herfstblues is er altijd. De zomer is mij te veel een dampende frietketel: alles op zijn hoogste. En ook nog op zijn lelijkst. Het hele stadsbeeld is zijn geheimen kwijtgespeeld. Alle einders zijn vlezig geworden.

Kijk alleen het misverstand van blote armen. Kwabben hoor je net zo goed te verbergen als Biafra-armpjes. Laat het een detail zijn, de zomer is geen ode aan de mensheid. We leven als een opgevoerde brommer. Terrashaast, zwemhaast, dinerhaast, ijsjeshaast. De zon bepaalt het tempo van het zijn, en dat gun ik die koperen ploert niet.

Mensen zijn bang iets te missen bij mooi weer, het is de omgekeerde wereld. De stoeten op de boulevards van de kust zijn een kluwen. Terwijl iedereen een zee van tijd heeft, ontstaat hitsigheid en gejaagdheid. Wellicht een gevolg van territoriumdrift – de jacht op het beste plaatsje van strand en terras. We zijn halvelings ontkleed, maar ontvouwen ons niet. De zomer is een groot bedrog.

Laatst stond een geliefde voor haar garderobe. Verlangend keek ze naar de herfstkleren die ze zich net had aangeschaft. Ze wou graag meteen in het leren jasje van Jil Sander springen. “Want dan zie je dat de schoonheid van een vrouw begint in de rug.” Ze verlangde naar kasjmier. Eerder hoorde ik haar zeggen: alleen gebroken naakt is mooi. Naakt wordt pas naakt bij lichte aankleding.

De zomer maakt zichzelf lelijk. De vestimentaire verwildering is een esthetische aanslag. Mannen in korte broek en sandalen horen gestenigd te worden. Vrouwen in sponsachtige vodden zijn niet om aan te zien. De zomer heeft geen streep gala. Alleen al daarom is de schreeuw naar herfst verlossend. Het veilige gevoel van een stukje stof op je huid als Wiedergutmachung.

Lawaai is het grote kwaad van de zomer. Ik heb altijd het gevoel dat ik me in een soldatenkantine heb begeven. In een trommelvuur van kreten en bevelen, daartussen veel kindergekrijs. Waar het nooit eens stil wordt, is het leven niet te harden. Zeg dat op volgepakte terrassen en in pannenkoekenhuizen. Luidruchtig consumeren lijkt de voorkant van de pret.

Ik ben een Klara-fan. Alleen versterft de zender in de zomer in ketelmuziek. Je hoort de stilte niet meer, de ingehouden adem is weg. Klara weent alleen nog om haar eigen deftigheid in het geraas en kabaal van de hossende menigte. De zomer is een dief van geborgenheid. Alles is nu publiek, alles moet op straat. Ook daarom kunnen vallende bladeren beter een beetje haast maken. Om ons mede toe te dekken.

Terrasconversaties doen het meeste pijn aan de oren. De eindeloze luchtigheid leidt tot een laatste verzuchting: stop de wereld, ik wil eraf. Het uitwisselen van vakantiekiekjes is het allerergste. De opwinding die dan ontstaat, de imperatieven van schoonheid en genot die worden rondgeslingerd – mijn hemel.

Van alle seizoenen is de zomer het meest vervreemdend. Om je zelf nog een beetje te herkennen moet je het huis invluchten. Alles van het leven is buitenkant geworden. Het paradijs is een plas water. Vakantie is als religie, een ritueel van geloof voor een illusie. De illusie van gelukkig zijn in een barbarij.

Strijk het sjaaltje even op, leg de sokken maar weer klaar, vouw in de broek graag: ik snak naar herfst.

Uit De Morgen – 1 augustus 2019

.                                                               °°°

 

 

Laat ik één van deze zonderlinge wezens zijn
die in volle zomer, aangekleed door de stad slentert.
Linnen vestje, wit hemd en das. Gestreken pantalon.
Min of meer. En vooraleer ik het vergeet: een hoed.

Rondom mij zie ik kranige tachtigers
die de zomer en de blikken tarten.
Zij verkleden zich met de eeuwige jeugd. En een korte broek.
Dat hoort zo vandaag.

Zelf ben ik een curiosum.
Tussen de slippers en de sleffende medemens.
Een onbegrepen anachronisme.
Dat zich vergist van tijd.

Ouderwets lijkt mij een compliment. Waarin veel toekomst zit.

 

 

PS.
Weldra vallen de bladeren van de bomen.
Als zij kaal worden
dan kleden wij ons terug aan.

Ook bomen zijn aangekleed mooier.

u bent helemaal op de hoogte…

Gerelateerde afbeelding
Foto Internet

 

 

 

‘U bent helemaal op de hoogte…’

Ik schrik van de zin.
Wie schrijft er nu nog met u?
En ik,  ‘helemaal op de hoogte’?

De schrijver overschat mij. Denk ik.

En toch, schreef hij dat vanmorgen
nog maar eens.
Alsof hij mij ervan wil overtuigen.

Twijfel niet aan uzelf.

Wonderlijke algoritmen toch.
Voor iemand die in de vierde Grieks-Latijnse
een herexamen had in algebra.

Maar ik waardeer zijn beleefde hoffelijkheid wel.

Zo vroeg op de ochtend.
En na het Nieuws uit de Kranten.
Het is een verademing.

In mijn Outlook-brievenbus zit geen enkele brief.
Ik ben helemaal op de hoogte,
zegt het Operating System.

Spijtig. Maar ik antwoord beleefd: dank u.

 

PS.
Drie boeken liggen stil te wezen naast mijn oude Laptop.
Onder meer ‘Een knipperend ogenblik’.
Het schitterend portret van Campert geschreven door Mirjam van Hengel.

Wat een zinnen!

Ik word er weemoedig van. Zo vroeg op de ochtend al.
Na het papier, wil ik de dichter nog eens zien en horen.
Ook al ben ik vanochtend helemaal op de hoogte.

Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.

Afbeeldingsresultaat voor schuimende zee

Zoom.NL

 

 

 

 24-02-15

 

Hier waar het land
de hemel raakt
zoals de zee de avondzon

schreeuwt een meeuw
mij open
tot aan de verte van een herinnering

hoe wij het leven
leeg zogen
als een koekoeksei

verlangen nestelden
in gestolen uren
van De Panne tot aan een Brugse rei

waar wij verdwenen in de kreet van een souvenir.

 

                      °°°

 

 

 

PS.
En toch klinkt een meeuw aan zee
anders dan in het hinterland.
Tussen de velden lijken ze zelfs uitheems
en vreemde vogels.

Maar ze werken Proustiaans. Met hun zwevende vleugelslag
is de zee weer dichtbij.
En ook wat al lang verleden tijd was.

PS.
Het was alsof we door de hemel overspoeld werden.
De wind werd een lichte Beaufort.
Met z’n tweeën vochten we met een paraplu
tegen de wilde regen.

 

 

 

 

 

https://www.youtube.com/watch?v=rRbyZ3eD-9M&index=4&list=RDqZSJvyBag8A

 

 

PS. 2019
Ik aarzel bij het tikken van dit jaartal.
Ieder jaar begin ik meer te haperen.
Aan de tijd. Aan mezelf.

Mijn woorden worden schraler.
Zoals bomen in de herfst.
Het leven minder lenig.

De liefde ook.

En verder dan de liefste dingen.
Ik parafraseer een dode dichter.
Die versta ik beter. Dan de toekomst.

PS.
Ik herlees ‘Kamer in Oostende’.
En ik mis “een”.
Onbewust had ik er telkens ‘een’ bij gelezen.

Onbepaald lidwoord.

Hoofdstuk 2 is pure poëzie.
Een liefdesverklaring van de zee.
Aan de schrijver.

De zee is zo ver als je verlangen. Zo diep als je gemis.

.                                         °°°

 

Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.

Herman de Coninck

 

 

partir sans sortir

 

Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen
Carl Gustav Jung – Foto Internet

 

 
“La tristesse enveloppe, l’ennui pénètre.” Henri de Régnier

 

Als ik het nu eens in een briefomslag stak
al dat verdriet
en er een postzegel opplakte en verzond
zou het dan verdwenen zijn?

Maar naar wie moet ik het sturen.
En wat gebeurt er dan.

Wordt de lezer
dan omhuld met mijn verdriet.
Of versnippert hij het vakkundig.
Tot de laatste letter.

En verdwijnt het dan als sneeuw voor de zon.

 

 

PS.
De hitte van verleden week droogde mijn gedachten uit.
Ik moest ze voortdurend vullen.
Woorden van een ander drinken. Om mezelf te verdampen.

Dagen en uren luisterde ik. De radio is een heerlijk vakantieoord.

Ik reisde heen en terug. Perrongeluk.
Terwijl ik op een bedje lag.
In mijn ‘rez-de-chausée’. Amper 20° Celsius.

Ik volgde de wolken. En Italië lag aan mijn voeten.
Met zijn besneeuwde bergen.
En schouderbrede steegjes. Venetië.

.                                                     °°°
.

.

 

niet langer dan een ogenblik

Afbeeldingsresultaat voor remco campert

Foto Internet

 

15 jan. 2017 19:17

 

 

Poëzie

Van mooie poëzie heb ik nooit zo erg gehouden
tenzij je niet merkte dat ze mooi was
zoals snel het licht
dat schampt langs een spoorrail
of de sneeuwvlok die smelt op de straatsteen
maar verder
heb ik van mooie poëzie nooit zo erg gehouden
tenzij ze heel mooi was
zoals toen je op de tramhalte stond
en ik je zag in het voorbijgaan

Uit: Nieuwe herinneringen (2007) Remco Campert

 

                                                     …

 

En toen ze voorbij ging
dacht ik dat ze nooit zou sterven

ik hield mijn adem in
terwijl zij lucht en licht werd

lichter dan een sneeuwvlok
maar langer dan de schaduw

van de tijd

die zij verleidde alsof zij
eeuwig was

minutenlang, een uur of zo
tot aan de lente alleszins

en dat zij dan bloeide als geen ander.

 

 

PS.
Ik luisterde zopas naar Remco Campert in Berg en Dal.
Bij Klara. Een beminde.

En hij was een kuchend jongetje.
Van koppig roken.

Maar ook van verzen.
Vers als vrieslucht in een berijpte ochtend.

En dan weet ik dat mijn aandachtige vingers
luistervinken. En zich niet kunnen bedwingen.

Om hun alphabet te ontbloten. Ook op dit late winteruur.

Hier tikt een allenige man.
Die geniet van zijn lege-nest-syndroom.
Een ziekte die hij niet zou willen missen.

 

                            …

 

PS. 2019
Ik weet niet of er sneeuw lag op 15 januari van dat jaar.
Maar vandaag zijn wij bezet door de tropen.
De buienradar voorspelt 40° Celsius op donderdag.

In de schaduw.

Als ik naar Campert luister of hem lees
dan ontstaat er schrijfjeuk.
Mijn vingers kriebelen.

Sneeuw of zee. Een meisje aan de tramhalte. Of op het strand.

Hij kleedt ze aan. Met woorden.
Maakt ze mooier. Dan het leven kan.
Met een beetje geluk. Duurt ze misschien wel tot overmorgen.

.                                                                 °°°

 

 

Die eerste keer
wilden mijn lippen zelfs
de zandkorrels van haar hielen likken.

Later wilden ze wat anders.

Een sigaret. Of een gazet.
Om achter te zwijgen.
Maar nooit meer

smaakte het zout zo zoet. Als toen.

Hoe achteloos
verloren wij malkander.
Onderweg.

Naar later.

 

 

 

omwille van het woord: een supplément d’âme…

 

De monsterlijke kracht van het kleine

40 jaar De Morgen

Journalist en schrijver Hugo Camps (76) is als columnist nauw verweven met De Morgen. Hij houdt zielsveel van deze krant, maar heeft niet iedere geliefde ook zo haar kleine kantjes?
Hugo Camps
.
©(c) Peter Hilz/ Hollandse Hoogte

.

Remco Campert zegt: ‘Schrijven is spelend alleen zijn. Spel en liefde, meer heeft het leven niet te bieden.’ Mag ik er lezen aan toevoegen? En dan bedoel ik de ochtendkrant, bij een kop koffie en een sigaret. De Morgen is voor mij altijd een genotsmedium geweest. Het ontwaken de moeite waard. Een soort pantser voor de dag. Glijmiddel naar beschaving in een wereld van oorlog.

Gesprekken beginnen tegenwoordig altijd met: hoe gaat het? Dan volgt een regen van klachten. Kranten spelen wellustig in op het veelvoud van trivialiteiten. De Morgen doet dat niet en kenmerkt zich alleen al daarom met een uitzonderingspositie in het medialandschap. Ik houd van die krant om haar strenge selectiecriteria in de overvloed van non-nieuws. Het intellectuele comfort van DM ligt vooral in wat niet gepubliceerd wordt. Het weren van voyeurisme. De ene dag lukt dat wat beter dan de andere.

De Morgen is een auteurskrant. De grijze brij van nieuws en commentaar wordt dan vanzelf persoonlijker. Je voelt je aangesproken door meningen en overpeinzingen. Passief lezen schakelt zichzelf uit, met dank aan goede en scherpe pennen. Met dank ook aan ZAK, die niet genoeg bejubeld kan worden als chroniqueur van het absurdisme. Als meester van een bevrijdende lach.

Als columnist van deze krant heb ik me altijd bevoorrecht gevoeld. Het is een krant met een supplément d’âme. Er is in de kolommen nog iets van strijd, niet om het eigen gelijk, strijd om bewustmaking. Strijd om de eigen overleving was er ook. Jarenlang was de krant als economisch product in crisis. Maar dat werd columnisten en medewerkers zoveel mogelijk onthouden. Een fatsoensnorm die in het tijdperk van centen en procenten zeldzaam is. Daarnaast heb ik jarenlang ervaren dat De Morgen een krant zonder zelfcensuur is.

Helaas ook een krant zonder complimenten. Hoe ouder je wordt en hoe langer je schrijft, des te groter de angst om een stukje naar de eindredactie te sturen. Vertwijfeling is er altijd. In Nederland kreeg ik voor elk stuk altijd een reactie die me geruststelde. Die cultuur ontbreekt bij De Morgen. En dat is jammer, want het kost niets en je maakt mensen veel gelukkiger. Het gaat er niet om als columnist gewatteerd te worden, het gaat om zelfvertrouwen. Het is trouwens de onhebbelijkheid van links: zeg nooit dat het goed is.

Ik heb de afgelopen twintig jaar een aantal hoofdredacteuren versleten. Gevolg: schuivende invalshoeken en klemtonen. De een wilde dichter bij het leven, een ander dichter bij de politiek. Maar aan de roeping van de krant veranderde niets. Aan de maatschappelijke bezorgdheid ook niet. Het bleef een stem voor minderheden en andersdenkenden, een houvast voor desperado’s. Dat maakt me gelukkig.

Ik heb altijd een warme relatie gehad met de dames van het secretariaat, Roos en Brigitte. Zij vulden de menselijke vonk in met trotse dienstbaarheid. Ze verdienen een standbeeld. Ik reken hen tot de journalistieke elite van de krant, tot een sociaal karaat. Verpleegsters van het niet-uitgesprokene. Dank, lieve dames.

Zal er ooit nog iets aan het uitzicht van kranten veranderen, vragen sommigen zich af. Aan het uitzicht misschien niet veel, aan het inzicht des te meer. Ik kom nog uit de tijd van de zuilenmaatschappij. Toen kranten geacht werden tot de bloedgroep van partij en/of vakbond te behoren. Het was de onfrisse zelfkant van onze democratie. Die tijd is gelukkig voorbij, maar er zijn nu andere voogden die een instant-gezagspositie proberen in te nemen. Lucratieve geesten die denken dat het leven is zoals het op winkelruiten staat. Vervlakking dreigt voor alle media. Er is maar één medicijn: waarheidsvinding tegen deze seculiere stromingen en culturen in. Dat is De Morgen gelukkig nog toevertrouwd. De krant kan leven met de eenzaamheid van een standpunt. Sterker nog, ze maakt er noblesse van.

Jan Blokker zei me ooit: “Hoed u voor de tegenstem. Het is hier altijd een stem die reikt naar iets wat we nog niet hebben. In het klimaat van schroom en angst is een krant die elke dag verschijnt omhangen met het gevoel: moet dat nou? Er werd ook altijd gezegd: de buitenwacht hoeft niet te zien wat wij eten.”

De buitenwacht zijn wij zelf.

Sommigen zeggen dat de dagbladpers geneigd is tot capitulatie in de strijd met nieuwe media en technologieën. Met angst als basisgevoel. Angst voor de televisie, angst voor internet, angst voor de lezer. Deze nederlagenstrategie vind ik bij De Morgen niet terug. Het is integendeel een krant van hoop. In het besef van de eigen onvervreemdbare opdracht. Daarom is schrijven voor deze krant een aansporing tot geloof in de dagbladpers. Ontwijkingsgedrag van sommige strategen past niet binnen deze overtuiging. Alleen mag de krant wat meer voor zichzelf getuigen.

Wat zou er waardevoller zijn dan een dagblad? En dan niet als sterfhuis van oud papier met opvattingen en meningen, maar als slagader van de zoektocht naar het onbekende. Nogmaals Jan Blokker: “Bij mooi weer verdragen de Fransen geen overheid. Dan is alles relatief, inclusief racisme.” Kranten zijn er om dat vacuüm op te vullen. Ze moeten waken voor een sluipend proces van zelfontheemding. De mensheid heeft de aarde nog niet verlaten. Ze wankelt alleen tussen hysterisch en historisch. Ook daarom is De Morgen nodig voor de juiste balans.

Mijn moeder stond destijds op dinsdagochtenden urenlang te drentelen voor het raam. Ze keek uit naar de postbode die haar Het Rijk der Vrouw zou brengen. Als haar geliefde lectuur op de mat was gevallen, mocht ik alles.

Met die weerloosheid koester ik ook de krant De Morgen, mijn geliefde lectuur. De krant lezen is driebanden met taal, zinnelijkheid en de achterkant van het gelijk. Opgaan in het contragewicht voor gelikte vrijblijvendheid.

Het aanschijn van De Morgen is soms artistiekerig. Dat mag, niets mis mee. Maar het mag de scherpte van de waarneming niet vernietigen. De krant hoort niet tot de massacultuur die het geschreven woord buiten het bereik van zichzelf heeft geslingerd. De Morgen is juist de tegenhanger van massacultuur. Het is prettig te mogen schrijven voor een krant die de monsterlijke kracht van het kleine kent. De miniaturen van denken en voelen op het circuit van alledaagsheid. Het zijn altijd kleinigheden die de mens verheffen. En juist daar heeft De Morgen een scherp oog voor.