voor alle bomen die we achterlieten

 

Aan een boom in het Vondelpark

Er is een boom geveld met lange groene lokken.
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
met slepend haar en met de geur van jeugd
stromende uit zijn schone wonden,
het jonge hoofd nog ongeschonden,
De trotse romp nog onverslagen.

M. Vasalis (1909-1998)

Uit: Vergezichten en gezichten, 1954
Uitgever: Van Oorschot

 

 
Er zijn gedichten die je nooit vergeet. Hoe dat komt, valt niet te verklaren. Zo is er ‘Aan een boom in het Vondelpark’ van M. Vasalis (1909-1998). Telkens weer klinken de woorden nieuw. Daaraan herken je grote poëzie. Wat een geweldige beginstrofe! “Er is een boom geveld met lange groene lokken. / Hij zuchtte ruisend als een kind / terwijl hij viel, nog vol van zomerwind. / Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.”

Vasalis beschrijft het vellen van de boom als een moord. Hij is mooi en gezond, heeft lange groene lokken. Hij praat als een mens. Als een kind. Toch moet hij sterven. Waarom? Dat verneem je niet. Maar je voelt meteen dat geen enkele reden goed genoeg kan zijn.

Wat was ik triest, gisteren, toen ik twee oude coniferen die door de zomerse droogte zwaar waren aangetast met een diepe zucht hoorde vallen in de tuin. “Zijn ze te redden?”, vroeg ik twee verschillende specialisten nog, hopend dat ze ‘ja’ zouden zeggen. Ze zegden ‘neen’.

Ik heb de bomen altijd gekend. Nooit mee gesproken. Nooit gestreeld. Nooit gekust. Wel veel gezien. Graag gezien. Zelf vraagt een boom geen liefde, dat is zo aardig van hem. Maar hij werpt wel, op sombere momenten, een milde schaduw over je verdriet.

Er wordt veel gepraat in onze wereld. Geschreeuwd om het grote gelijk. Woorden die kwetsen. Woorden die doden.

Bomen zeggen niets. Soms speelt de wind in hun takken, nu eens lieflijk, dan weer wilder wanneer stormen woeden. Verder vragen bomen weinig. Ze klagen nooit. Dat vind ik ontroerend. Ook bij mensen.

Ik voel me schuldig wanneer ik een boom laat rooien, al weet ik dat hij ziek is en sowieso sterven moet. De mens beslist. Hij is de baas. De boom, nochtans ouder en vaak wijzer, rest niets anders dan te volgen, dan te vallen, met een laatste zucht. Die van een kind. Of van een oude man. Ik kijk en durf niet na te denken.

HLN – Rik Torfs – 24 januari 2019

 

.                                               ***

 

 

Zij verzamelden eksters
en kersen
in hun hoge lokken

om ons te verleiden

tot wie we zouden worden
jongens
die zich rovers waanden

of ridders

om kuise maagden te veroveren
die zich verborgen hielden in een toren
tot later

als wij prinsen waren.

 

 

 

Advertenties