dit is geen gebruiksaanwijzing


©rv

Ik was verbijsterd dat de docent mijn antwoord had goedgekeurd, tot ik besefte dat er bij velen nog steeds de misvatting heerst dat de auteur precies weet wat er met een gedicht wordt bedoeld. In het verlengde daarvan ligt de niet uit te roeien veronderstelling dat een gedicht een te decoderen tekst is, een plak hiërogliefen met de maker als de Steen van Rosetta. Onzin. Veel dichters weten niet wat ze met hun vers bedoelden. Ze weten gewoon dat de combinatie van onverwachte beelden, woorden en/of klanken iets losmaakt. Daardoor is het literatuur, in plaats van de gebruiksaanwijzing voor een neustondeuse.

Ellen Deckwitz

 
°°°

 
de verliefde stad

zelfs
als ik blind was
zou ik je herkennen

aan de stem van je hakken

hoe ze de straten innemen
de gevels wijken
voor je ogenblikken

en de vitrines je achterna kijken

jaloers
op de onrust
van stamelende mannen

haperend aan hun verlangen.

 

 

Advertenties

DICHTER bij de poëzie

 

 

DICHTER bij Ellen en De Morgen

Kaasschaaf

Dichteres Ellen Deckwitz (1982) doet elke week haar ding met poëzie en proza
Ellen Deckwitz
©Karoly Effenberger
.

Laatst ontving ik een Facebook-bericht van twee middelbaar scholieren, over een gedicht van me (‘Hij wilde het zo graag/ dus ik liet hem gaan./ Hij zakte in de zee/ luchtkralen sloten zich aaneen/ en ook de zon ging onder./ Ik bleef nog heel lang achter/ op het strand/ tot mijn rug begon te jeuken/ ik dacht nu komen vast mijn vleugels door.’)

Tussen de spelfouten door viel op te maken dat ze van hun docent Nederlands het vers moesten analyseren en daarom mij maar vroegen om dat even voor hen doen, aangezien ik als maker immers het beste wist wat ik ermee bedoelde. Ik schreef hen dus terug dat het gedicht over het schaven van kaas gaat. De ‘luchtkralen’ zijn de holtes en de vleugels die doorkomen, een verwijzing naar het feit dat op iedere kaas, hoe goedbedoeld ook, de schimmel uiteindelijk zegeviert.

Een week later berichtten de bakvissen me weer. Ze hadden een acht voor hun opdracht gekregen. Ik was verbijsterd dat de docent mijn antwoord had goedgekeurd, tot ik besefte dat er bij velen nog steeds de misvatting heerst dat de auteur precies weet wat er met een gedicht wordt bedoeld. In het verlengde daarvan ligt de niet uit te roeien veronderstelling dat een gedicht een te decoderen tekst is, een plak hiërogliefen met de maker als de Steen van Rosetta. Onzin. Veel dichters weten niet wat ze met hun vers bedoelden. Ze weten gewoon dat de combinatie van onverwachte beelden, woorden en/of klanken iets losmaakt. Daardoor is het literatuur, in plaats van de gebruiksaanwijzing voor een neustondeuse.

De betere poëzie bevat altijd iets ongrijpbaars. Die betekenisonzekerheid zorgt voor magie, zoals bij het slot van het hiernaast afgebeelde gedicht van Ruth Lasters. Welke terugkeer? Wat is eindigheid? Je voelt het aan, maar zeker weten doe je het niet, waardoor het werkt. Zelfs bij een ogenschijnlijk geheel helder vers als Elsschots ‘Het huwelijk’ blijft het onzeker waarom de vader, wanneer hij stil in het vuur staart, een ‘vervaarlijke’ aanblik biedt. Door de moordzucht die van hem af spat? Hebben ze door dat hij overpeinst om het gezin voor zijn eigen lusten uiteen te rukken? Dat het vuur hem doet denken aan zijn wens het huis plat te branden? Of is het eerder doordat hij zijn kroost een blik gunt op hun eigen toekomst, op hoe ook hun huwelijken gedoemd zijn zodra de aftakeling haar intrede doet?

Gedichten lijken in hun halftransparantie op mensen. Een mens kun je aanvoelen, maar nooit helemaal voorspellen. Je ziet altijd jezelf als je naar een ander kijkt, maar je ziet ook een samenballing van onzekerheden: mogelijke scenario’s, gevaar, dingen die je niet wilt weten, de altijd aanwezige hoop op verlossing. Gedichten lezen is je oefenen in omgaan met deze onkenbaarheid, en glimpen opvangen van dingen die je wel vermoedde, maar nog niet eerder kon verwoorden. Dat is de grote meerwaarde van poëzie. Daarom gaat het ook niet om de geheime boodschap. En trouwens: wat heb je anno 2018 nog aan een vastomlijnde betekenis? We leven in een tijd waarin de waarde van het feit aan een fikse inflatie onderhevig is. Laten we ons daarom bekwamen in het raadsel. Poëzie vormt daarvoor het ideale oefenmateriaal. Om weer te leren openstaan voor iets anders dan onze eigen overtuigingen.

***

SCHEUR

alsof de lucht audities houdt voor de ultieme meeuw,
alle tragere, grauwere zal laten neerstorten elk ogenblik,
daar rekenen we ergens

op een onwijs gave appel die plots voor ons ligt
met klem, met ‘ik-word-terstond-rot-tenzij-je-schreeuwt-
dat je-totnogtoe-alleen-appels-bij-benadering-at. En haast

opgelucht dan zie je daar een fitte bal, ginds aan een lijn
een laken met een scheur waar je toch doodgewoon doorheen
stapt naar een tuin waar al het linnen nog intact, maar in
de mand daar in de plaats van was: alle zomaar-

appels waar je jarenlang over gevreten had en hoe
reusachtig uitgesloten dan
de terugkeer.

Uit: Ruth Lasters, Vouwplannen, Meulenhoff/Manteau, 2007

°°°

 

 

Plagiaat of letterdieverij is “het overnemen van stukken, gedachten, [of] redeneringen van anderen en deze laten doorgaan voor eigen werk”.
Degene die plagiaat pleegt is plagiator of plagiaris. Degenen van wie het werk overgenomen is, wordt aangeduid als geplagieerde.

Plagiaat – Wikipedia


°°°

 
PS.
Pleeg ik nu plagiaat?, vroeg ik me af. Nee, dus. Ik ben geen letterdief.
Ik vermeld keurig de bron.
Wiki pleit mij vrij.

Zelf zie ik het als een cadeau van De Morgen voor jou.
Een beetje reclame. Voor een krant die de poëzie nog een kans geeft.
Een overlevingskans.

Grijp ze.

zacht voor de tijd van het jaar

Afbeeldingsresultaat voor schilderij vrouw in de wind
Botticelli – Venus

 

 

 

Zoals je daar stond
te twijfelen
met je rafelende haar

je weifelende lippen
en je ingehouden woorden
kreeg ik het koud

want zouden ze mij doden
of omhelzen
maar je ogen braken

onverwacht zacht voor de tijd van het jaar.

 

 

 

PS.
Zoals de weerman
die het weer kadert in de tijd met: zacht voor de tijd van het jaar.

Zoals de liefde kan zijn. Wanneer het herfst wordt.

PS.
Dit is een gecorrigeerde herhaling.
November is te somber voor een lichte cavalerie van inspiratie.
Ik doe dan maar het stof af van wat verloren woorden.

 

Getekend, je minnaar

Dagboek van de onvoltooid verleden tijd

“En opeens, mijn lief, mijn lief, ben ik weer bij jou in Portugal.
Ik denk namelijk: als ik dood ben wil ik bij jou zijn. Bij niemand anders.”

Uit ‘Het onverwachte antwoord’ pagina, 266,
Patricia de Martelaere.

Dag liefste,

Als ik zal sterven, zal jij niet mijn weduwe zijn.
Je zal wenen. Stiekem. Op de badkamer en op het toilet.
En als ze je vragen ‘waarom je ogen zo rood zijn’,
dan zal je een leugen verzinnen. Maar dat doe je al jaren.

Je zal niet op mijn doodsbrief staan met jouw naam.
Maar dat is niet erg. Ik wil er geen.
Geen enkel papieren getuige van m’n dood.
Alleen de tekenen tijdens het leven hebben belang.
De andere zijn formaliteiten.

Je zal ook niet vooraan in de kerk zitten.
Onder een zwarte voile. Nochtans daar hou ik van.
Een weduwe onder een sluier die weent.
Die haar tranen niet…

View original post 75 woorden meer

misschien vergis ik me wel

Afbeeldingsresultaat voor wakend over god zwagerman

 

Lief

Mijn lief, wees asjeblieft
heel lief voor mij, nu God
mij denkelijk heeft uitgewist.
Mijn lief, blijf asjeblieft
heel dicht bij mij. Misschien
word ik door jou gemist.

Mijn lief, vertrouw ook
nu op mij. Ik ben niet weg,
God ademt mij. Mijn lief,
wees asjeblieft heel lief
voor mij. Misschien heeft God
Zich in mijn dood vergist.


Wakend over God – Joost Zwagerman – pag. 85

°°°

 

 

Mijn lief,
jij laat me sterven dus
nu ik door jou vergeten ben

geen ogenblik
geen geur
geen licht gemis

dat mij voor even maar
laat leven

in een streling door je haar
of een aarzeling

van je stem
je lippen

o, regen wil jij dan voor mij wenen
o, wind wil jij huilen in de bomen
o, zee wil jij in twijfel je even terugtrekken

misschien vergis ik me wel.

***

 

 

Dood ben ik pas als jij me bent vergeten. Bram Vermeulen.

 

 

 

Aubade

aubade

 

hoe zij de ochtend
nog in haar haren
draagt

het licht rondom
haar lenden
ligt te lonken

naar de jager

en zij een preutse prooi
twee knopjes van haar blouse
open laat

als een belofte.

 

 

PS.
Helaas, weet ik niet wie de fotograaf is van de foto hierboven.
Graag had ik hem een laudatio geschreven.

Wij, mannen van Mars, worden nog al eens verweten dat we de vrouw
als een lustobject bekijken.
Ik vind dit erg spijtig.

Dit mysterieuze beeld laat mij zoveel schoonheid verbeelden.
Zelfs ontroeren.

Honi soit qui mal y pense.

En nu…

Afbeeldingsresultaat voor rimpelingen in plas water
Foto – 123RF

 

EN TOEN

Je ging door met je verhaal alsof iemand
nog luisterde; je stond op en wandelde
heen en weer; hield even stil bij de tuinmuur

om te zien wat er zou gebeuren. En de geliefden
gingen zo op in de nacht dat ze vergaten
wie hen daar bracht; ze gingen door tot het licht
eindelijk aankwam, onverzoenlijk, en dit keer

zonder jou. Zo begon het, de vele stemmen
die samenkwamen, de taal die je dacht te hebben uitgevonden
loste op in ruis die niet meer te vatten was,

het niet opmerken van de boom waarin vogels
onbevreesd raakten, waar je jezelf liet afdwalen, de zon
in je ogen, het stof: jij, die niet langer meer wist
waarheen te gaan, hoe ver je al was gekomen.

 

 

Uit: Sophie Cabot Black, The Descent, Graywolf Press 2004. Vertaling Ellen Deckwitz

°°°

 

 

En nu

nu dat ik je nog enkel herken
in de kleur
van een herfstblad

de geur van de ochtend
je parfum
overstemt

en je gebroken bent
in de rimpelingen
van een plas water

hoe schrijf ik je
weer hier
in het nu.

 

 

PS.
Elke dag zoek ik naar een stukje schoonheid.
Gisteren werd ik diep getroffen door een gedicht.
Het schreef mij neer.

Vandaag ril ik nog steeds.
Onder de kilte.
Van de woorden.

Die ik in de spiegel zie.

 

PS.
“Het is een van de engste gedichten die ik ken”, zei ik huiverend, waarop mijn publiek, ik bedoel mijn bezoek, me aangaapte. “Het gaat over verbaal impotent zijn”, vervolgde ik dus maar. “Herkenbaar, ik bedoel, iedereen heeft toch weleens het gevoel gehad dat hij vergeefs zijn verhaal deed, en dan nog geeneens voor een spreekbeurt of een sollicitatiegesprek. Het trauma dat je woorden niets meer uitmaken, dat wat je zegt geen invloed meer heeft op de wereld om je heen, maakt Cabot Black hier griezelig inzichtelijk. Kijk maar naar die openingsregels: je gaat door met praten alsof iemand nog luisterde, er is in de derde strofe taal die oplost in ‘ruis die niet meer te vatten was’. Het gaat over de dood van woorden.” Er volgde een korte beleefde stilte.

“Maar”, begon de bankier naast me, “in het gedicht zit ook een verklaring waarom er niet meer naar de hoofdpersoon wordt geluisterd, toch?

Ellen Deckwitz

(Zie vorig dagboek)