de stad schrijft en schreit

 

 

I’m so proud of you, sweetheart!

De muren schrikken. De stilte sluipt weg
als een kater in z’n slaap gestoord.
Toeristen verpulveren de rust in lege straten.

I’m so proud of you, sweetheart!

.

Ik dreun het af in mijn ongemakkelijk hoofd.
Een mantra die mij de mantel uitveegt.
Is there anybody proud of me?

 

Wat verder zit een jongen op het trottoir.
De muur houdt ‘m recht.
Twee politie-agenten staan hem bij.

Hedendaagse pastoors.

Weet je welke dag het vandaag is?
Zou hij de vraag horen. Hij mompelt wat verloren woorden.
De 112 arriveert. Twee gele mannen stappen uit.

I’m so proud of you, sweetheart!

Was er ooit een mama
die hem wiegde aan haar borst.
Zijn haren borstelde. En hem voorzichtig kuste.

Totdat hij dacht, misschien,
nu kan ik het wel alleen.
Of liet ze hem alleen?

Op een Blauwe Maandag.

.

 PS.
2018.


Langzaam sijpelen de beelden weer binnen.
Een moeder streelt haar krullenbol.
En overlaadt hem met haar trots.

Wellicht is zij zijn eerste geliefde.
En de volgenden slechts een imitatie.
Van wat onbereikbaar was.



https://www.youtube.com/watch?v=aS4YDuTfJ7Y

Advertenties

Gezien zijn we gered

Afbeeldingsresultaat voor zee afbeeldingen
Foto – Internet


Ze is dus niet in beste doen. Verder kan ze er weinig zinnigs over kwijt, zegt ze. Ze wil een stuk kaastaart. Dan laat ze de antwoorden aan mij, en stelt zij alle vragen. De klassieke verdwijntruc. Ik laat het gebeuren, intussen probeer ik te peilen. Heeft ze nog wel zuurstof genoeg om te roepen om hulp?
Een strandredder vertelde me onlangs hoe moeilijk het is een verdrinking te herkennen. Niemand verdrinkt zoals in de films, geen gespartel of geschreeuw. Om te schreeuwen heb je zuurstof nodig. Verdrinken gebeurt dus geruisloos, en binnen de minuut. Net aan zijn stille roerloosheid herken je de drenkeling.
Sindsdien ben ik op mijn hoede. Ook op het droge, alsof het hier soms niet bodemloos is. Ik probeer de stille schreeuwen te horen en zinkende lichamen te herkennen. Redden, zei de redder, komt neer op kijken. Op mensen in het oog houden. Gezien zijn we gered.
Ik kijk naar haar die de kaastaart oplepelt, terwijl zij mij en mijn antwoorden in het oog houdt. Zo redden wij elkaar al jarenlang.

Uit De Standaard – Guinevere Claeys – 17 augustus 2018

°°°

 

 

 

Zou ze verdrinken

ik zie haar
en zwem naar haar ogen
ze zijn diep en donker

maar ik word zelf een drenkeling

een redder in nood
die zijn leven wil geven
voor haar

als ze mij maar wil zien

of ik ga roerloos dood
in de golven van mijn onzichtbaar gemis
ginds is de oever

waar ze staat te turen naar de verte.

 

 

 

 

de man die dacht dat zijn vrouw een hoed was

Uitvaart

Voor mij fietst een man met een hoed. Er staat een nerveuze noordwestenwind. Wanneer de man linksaf wil slaan, waait zijn hoed af. Hij grijpt nog twee keer in de lucht, we horen de wind lachen. De hoed komt mijn richting uit. Ik spring van de fiets, zet me schrap, het is erop of eronder, rechts van ons, vlak achter de reling, ligt een diepe vaart koud water.

Dit is een ogenblik dat ik me nu al herinner in slow motion, de voetgangers die stilstaan om te kijken, de man-zonder-hoed die de handen voor de mond slaat, de dansende stetson, mijn schichtige sprinten, het machteloze reiken, de stille plons.

De man en ik kijken naar de drijvende hoed. Hij dankt me voor de reddingspoging. Tegen zo’n spelende wind maak je geen kans, zegt hij. Ik begrijp dat ik hem bij deze uitvaart niet alleen mag laten, ik blijf staan. ‘100 procent wol’, memoreert hij. Een geschenk voor zijn 50ste verjaardag van zijn twee zonen, ‘bezorgd om mijn kale hoofd’. Dat was, hij denkt na, in 2003. Hij kwam nooit meer buiten zonder. De zonen zelf vlogen uit intussen. Californië, de ene, Singapore, de andere. ‘Je houdt ze niet tegen.’

De stetson die hem 15 jaar behoedde, verdwijnt uit het zicht. We fietsen verder, de man met de weggewaaide zonen gaat linksaf, ik rechtdoor weer de spelende wind in.

Uit De Standaard – 14 augustus 2018

°°°

 

 

 

Er leven er velen
zonder.
Hun hoofd verdraagt hem niet.

Maar ik draag hem
met liefde.
En voorzichtigheid.

Bij een druilerige regen of een zinderende zon.
Alleen de wind
is een gevaarlijke vrijbuiter.

Die hem tracht te kapen.
Hij waant zich soms Willem Tell.
En mijn hoed een appel.

Die Fabiola heet.

 

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor de man die dacht dat zijn vrouw een hoed was


 

PS.
De wind is mijn wispelturige vriend.
Ik ken zijn fratsen.
Weet waar hij mij tracht te verrassen.
Meestal ben ik hem voor.

Dan lach ik in mijn vuist.
En wellicht ook rond mijn lippen.
Van contentement.

De Grote Markt
is zijn geliefkoosde speelplek.
Daar moet ik dikwijls vechten.

Tegen hem. Samen met mijn hoed.


 

Zet haar een hoed op.
En ze wordt een prinses.
Frivool of hautain.

Ze wordt leniger.
En langer.
Een apotheose, een dagelijks wonder.

Een vrouw met een hoed
is een dame.
Ik kijk haar achterna.

Als een ver verlangen. 


 

 

turen naar de leegte

 


Edward Hopper, People in the Sun – DS Weekblad

 

“Edward Hopper heeft best veel mensen opgevoerd, ook onder elkaar – en ‘opvoeren’ is het juiste woord. Maar het is moeilijk om zijn personages te betrappen op een kennelijke warmte of verbondenheid. Ook onder elkaar zijn we in dit werk alleen, en als we alleen verschijnen, zijn we in onszelf verzonken of lijken we iets te zoeken.

People in the Sun is daar een mooi voorbeeld van.

Het zou best kunnen dat ik glimlachte toen ik, lang geleden, het beeld voor het eerst zag. Ze hebben iets dwaas, deze mannen en vrouwen in hun dekstoel ergens in the middle of nowhere, ook nog een samen turend naar nowhere. Behalve misschien die ene, de verdiepte lezer, die weleens Hopper zelf zou kunnen zijn, wegkijkend van het vreemde turen.

Dit beeld is tragikomisch. Licht komisch en diep tragisch. Uiteraard spreekt het over onze wezenlijke eenzaamheid, ons eeuwige onbestemde verlangen, kortom ons chronische onvermogen. Maar ook over de potsierlijkheid – weliswaar in pak en met een das aan of een sjaaltje om en zelfs ijdel gerode lippen, die we delen. In dit geval ‘ergens’ netjes naast elkaar, even saamhorig als gescheiden in even barmhartig als streng laat licht. Een beetje dom en ongemakkelijk leunend in die haast oplichtende stoelen op hun dunne poten.”

Bernard Dewulf – DS Weekblad – 11 augustus 2018

°°°

 

 

Tuit je lippen, liefste,
rood als kersen
zodat ik ze kan plukken

en we elkaar kussen

als vreemde wezens
in deze dwaze wereld
ik kies mijn mooiste das

voor jou

jij bent mijn feest
mijn lenige lente
ik leg mij neer

onder de schaduw van je verlangen.

 

 

PS.
Een moraalridder
kiest zijn woorden. Om te strijden.
Desnoods tegen molens.

Ik schrik van zoveel pedanterie.
Mijn held Dewulf plaatst zich op een piëdestal.
Boven het gewone. Van tijd en mode.

 


Nu ik erover nadenk, nog nooit zag ik Dewulf met zijn nek gestropt door een das.
Hij is een man uit het tijdperk van de 'open hemdkragen'.
Mannen die dachten zich zo te bevrijden van een 'dikke nek'. 
Alsof eenvoud ontstaat bij het verbannen van 'de plastron'. En het lossen van een knopje.

Zoals de feministen destijds hun prangende BH aan de wilgen hingen.
Uit protest.
Tegen de mannen. Die hen zouden verplichten tot schoonheid. Lust en object.



The Child is father of the man.
Dewulf zal nooit basketbal gespeeld hebben in een wit hemd met das.
Wij speelden voetbal op de speelplaats. Klaar om ter communie te gaan.
Niemand die dat raar vond.


...



My heart leaps up when I behold
A rainbow in the sky:
So was it when my life began;
So is it now I am a man;
So be it when I shall grow old,
Or let me die!
The Child is father of the Man;
And I could wish my days to be
Bound each to each by natural piety.





William Wordsworth.

zonder de geur van gisteren

 


De geur van Proust


Ik heb Nolens reisvaardig gemaakt.
Hem uitgekleed. Voor het zuiden.
Bevrijd van mijn bezwarende ballast.
Reçuutjes van herinneringen.

De smaak van Proust tussen een dagboek.

Een ‘kabeljauwhaasje’ in Oostende.
Een ‘tongrolletje’ in Blankenberge.
Een ‘stoverij’ in Antwerpen.
Een ‘vol-au-vent’ in Brugge.

Telkens maal twee.

De rekeningen zijn verbleekt.
Mijn herinneringen ook. Temps perdu.
Zij is nog altijd levendig.
Tastbaar aanwezig. Parfois femme nue.

Straks nog enkel in mijn hoofd. 
Zij en Nolens. In het zuiden.
Mijn vingers in het noorden.

Met Proust.

 

 

 

2018

Alles vergeten.
Alleen de woorden zijn gebleven.
Zonder geur.

Het verleden is een geschreven zin.
De herinnering,
het wit tussen de regels.

 

 

Ooit was God een Tuinman

schrijverimage-eaa3ebde-995f-11e8-8c23-4dd9cf4e8cbf-b889352c-9bc2-11e8-8abe-90209e2e61c8

Plattegrond van een schrijfverblijf

Kathy Mathys verbleef een maand lang in het huis van dichter Adriaan Roland Holst (1888-1976) in Bergen in Noord-Holland om er te werken aan een roman. Dit is een verslag van haar avonturen.

5. Tuin

Op een van de ochtenden komt de tuinman langs. Hij besproeit het groen en gaat vervolgens roken op het bankje bij de keuken. Nooit eerder heeft hij zo’n droogte meegemaakt. Of ik om de dag de planten water wil geven? Begin juli al ligt het gras erbij alsof duizenden festivalgangers eroverheen hebben gebanjerd. De bloemen laten mismoedig hun kop hangen.

Ik schrik van het verhaal dat Van der Vegt optekende over de tuin. Holst liet hem verwilderen, hij hield van zijn ‘jungle op zakformaat’. Toen het riet naar binnen begon te groeien, pakte een tuinman de wildernis grondig aan. De dichter zou zich nadien nooit meer thuis voelen in het huis. Op termijn zou hij het zelfs verlaten.

Uit De Standaard der Letteren – 10 augustus 2018

°°°

 

 

Ik schrik niet van het verhaal
van de tuin.
Wildernis is een woord uitgevonden
door mensen.

Die de Groene Bijbel schreven. Voor een Tuinman.

Zij imiteren anglofiele landschappen.
Of perkjes à la Versailles.
Tussen de glooiingen in Toscanië.
Of de strakke lijnen van een stad.

Zij knippen de ziel uit een stadstuintje.

Hier in de wildernis
van mijn onbeschaafd tuintje,
tiert de verbeelding welig.
Hoe het ooit was.

En hoe de achteloze tijd
het in zijn armen sloot.
Waar de vlinderstruik zich een rododendron waant.

Binnen de hagen van een kasteel.

 

 

°°°

 

PS.
Misschien schrijf ik dit wel uit onmacht.
Bij gebrek aan groene vingers.
En vertaal ik de tuin liever naar het blauw.
Of zwart. Van woorden.

Samengeharkt. Uit een alphabet.

Misschien laat ik de anarchie van een bohémien
los. In de tuin.
Als een hondje. Dat zonder leiband
mag ravotten.

Alsof ... ach, later als mijn tuin beschaafd wordt. Dan...



 

Zijnswijze

 

Afbeeldingsresultaat voor kleine dagen bernard dewulf

 

 


Het gebeurt wel eens dat ik stilsta bij iets waar je makkelijk aan voorbij zou kunnen gaan. Zoals pas nog, in Berchem station. Te midden van het heen-en-weer van het personenverkeer merk ik een meisje op. Ze is zo’n tien jaar en Aziatisch. Ik vermoed Thais. Ze houdt haar handpalmen tegen mekaar, rechtop, bij het borstbeen. ‘Doe je nog eens voor?’, gebaart ze naar haar mama. Ook zij brengt haar handen samen, op dezelfde wijze, en buigt het hoofd, waarbij neus en duimen mekaar raken. Het meisje kijkt aandachtig toe en bootst het na. Was dat goed? Mama glim-knikje-lacht en tuurt verwachtingsvol de gang in.

Het meisje oefent het nog enkele keren. Het is mooi om te zien, de toewijding waarmee ze zo meteen het bezoek zal groeten.

Het tafereel voert me terug naar Nepal, in de zomer van 2004. Ik was toen op bezoek bij Lobsang Dohlma, een charmante Tibetaanse en – dat laat zich raden — boeddhist. Terwijl ik samen met vier andere Vlamingen wat zat te praten, gezeten aan een laag tafeltje, keerde onze gastvrouw terug uit de keuken. Wat er dan gebeurde, zou ik simpelweg kunnen omschrijven als: Lobsang bracht thee. Ze knielde, zette het dienblad neer, plaatste een kopje bij elk van ons, nam de theepot en schonk de kopjes vol. Meer was het niet.

En toch…

Ik keek ernaar en voelde tranen opwellen. Ik schrok en probeerde ze met alle macht te bedwingen. Wat me ook lukte. Net. Tot mijn grote opluchting, want ik wou daar verdomme niet beginnen huilen. Het gesprek ging gezellig verder, maar ik hield me op de achtergrond, want ik was helemaal van slag, als had ik een schok gekregen. De zachtste schok ooit.

Ik denk nog vaak terug aan dat voorval, want wat is er toen in godsnaam gebeurd? Had ik iets gezien dat op de meest harmonieuze manier zodanig toegewijd en sereen was dat ‘stomweg’ het schenken van thee iets verhevens werd? Iets verheffends ook? Was haar hele zijn zozeer bezield met zachtmoedigheid dat er een diepe tederheid van uitging, op een immens krachtige manier? Of raakte het aan iets dat ik las bij Pessoa? ‘Wees om groot te zijn geheel. / Maak niets wat jou is / Groter of tot niets. / Wees al in alles. / Leg zoveel je bent / In het minste dat je doet.’

Ach, mijn pogen-te-verklaren is een onbeholpen en stuntelige vertoning bij wat ik toen heb gezien: de poëtische gebaren van een taal – een zijnswijze – die in onze cultuur erg zeldzaam is, maar die ik meteen ten volle leek te begrijpen. Een taal die ik zeer wezenlijk heb gemist, doorheen mijn leven. Maar ik was er me niet van bewust, tot het op een dag teatime was.

Misschien vindt u dit alles maar softe boel. Dat zou ik zelf ook hebben gevonden, ooit. Ondertussen weet ik echter beter en voel ik hoe hard het kan schuren, diep vanbinnen, dat ‘zachte’ en het gebrek eraan.

Bij deze heb ook ik mijn handen bij mekaar gebracht, al schrijvend. Het voelt haast als bidden, dat prevelen van de toetsen onder mijn vingertoppen. Bidden als de innigste vorm van wensen. Wensen dat die zijnswijze mij nog veel meer eigen mag worden, want ik ben nog zo vaak al te onbehouwen.

En daar deed een meisje me bij stilstaan, onlangs, toen ik niet aan haar voorbijging.
.

Elke week pent een gastschrijver een tranche de vie neer. Deze maand: Alexander Wolfram ziet het grote in het kleine en veel in het weinige.
.
Uit De Standaard – 9 augustus 2018

°°°

 

Niets hoef ik toe te voegen
aan deze woorden.
Maar ik wil graag iets herhalen:

Alexander Wolfram ziet het grote in het kleine en veel in het weinige.

Dit is mijn adagium.
En ontdek ik ook bij Bernard Dewulf.
Bijvoorbeeld in ‘Kleine dagen’.

Waar het podium de keukentafel is.
De tuin.
Een kater.

Zijn kinderen.

Voor een groot schrijver is dat te klein.
Die wil de wereld.
In een boek wringen.

Een valies die uitpuilt. De lezer is zijn lastdier.