verlangen schrijf je zonder punt

Slaapkamerraam
Foto internet – Radio1

 
Tussen gemis en verlangen

 

Nooit zal er een punt volgen,
hoogstens een komma
om even naar adem te snakken

een rustpunt

tussen gemis en verlangen
gisteren en morgen
en vandaag

een adempauze

want van verlangen
word je moe
en soms, ik durf het haast niet te schrijven

doe je de boeken toe.

 

 

 

PS.
Het is een ‘Hoogdag’. Zo werd deze Feestdag vroeger genoemd.
Vandaag is hij slechts een tussendoortje
om er een lang weekend van te maken. Een brug.

Tja, naar wat. Naar wie?

Ooit deed ik mijn Eerste Communie. Op Ons Heer Hemelvaart.
Blij maar ook bedroefd.
Tragiek zit in kleine dingen. Zoals geluk.

Ik vergeet dat nooit. Ook niet vandaag.

Toen ik, achter moeder, mezelf naar de communiebank sleurde,
doorheen de middenbeuk, sleften mijn schoenen in en uit.
In en uit tot aan God. Die wachtte.

En toen moest ik nog terug. Vanwaar ik kwam. Een ganse leven lang.

 

 

Advertenties

rokjesdag … enfin

Afbeeldingsresultaat voor rokjes op de fiets
Foto internet – DitIsItalie.nl – Rokjesdag in Italië

 

Ik herinner me nog de dag dat Martin Bril stierf.
Het leek wel ‘rokjesdag’.
Wij waren aan zee. April en zonnig.

En zoals winterse krokussen
schoten er plots zomerse rokjes op.
In de nog prille straten.

Roekeloos kort. Maar hoopvol.

 

22 april 2009

.                                               – –oOo– –

 

 

Neen, geen rokjesdag vandaag.
De zon is te laks.
En de wolken te weelderig.

Zopas kwam ik zijn naam tegen.
Ik ben al vergeten waar. En vind hem niet meer terug.
Zo gaat dat met doden.

Maar nu en dan,
als de terrasjes openbloeien
en meisjes op de fiets peddelen.

De wind langs hun benen streelt,
zoals zij door hun haren,
dan denk ik aan Martin Bril.

En hoe hij ooit een woord uitvond: rokjesdag.
Een woord
om bij weg te dromen.  Zeker door een roerloze reiziger.

Jawel, elk jaar wanneer de eerste rokjes
weer door de straten haperen
dan denk ik aan Martin Bril.

En ook aan wat anders. Natuurlijk.

 

PS.
Ondertussen rent de regen langs de ruiten.
Een natte droom
kan je dit niet noemen.

M.B. sloot zijn column meestal af met: enfin.

 

van de troost

 

 

 

soms ben je de zee
en ik
een verlaten strand

je trekt jezelf terug
en ik golf je achterna
maar haal je nooit meer in

ginder in je ver verdriet

waar ik een oude jutter ben
en verzamel
wat je achterliet.

 

.                                                               – –oOo– –

 

 

 

Post scriptum. Wat later achterlaat.

Later

Slechts een schrale bries was ik
in het leven van enkele mensen.
Niet eens een rimpeling
op het fabuleuze witte water.

Later is nu te laat.

Het verleden
zal mij nooit verlaten.
De toekomst
kan ik niet inhalen.

Later komt altijd veel te vroeg.

 

13-05-11

 

.

 

PS. 2019
Ik schrijf mijn eigen troost. Om gisteren te vergeten.
En morgen weer te omarmen.
Want altijd is het vandaag.

Gestameld licht

Gerelateerde afbeelding
Foto Internet – flexa.nl

Zogezegd

Ik lees over de dood. Intussen lacht de tuin. Het boek toont de dood wereldwijd. In mild voorjaarslicht. Beter gezegd, het boek toont onze omgang met de dood wereldwijd. De dood zelf is niet kiekbaar.
Men zou dagen als vandaag, in die lente­klaarte, moeten kunnen invriezen. En ontdooien in onze winter. Een soort pensioensparen voor ons later licht.

Nu ik lees over de dood, weet ik weer meteen waar mijn liefste doden zijn. Links, na jaren wat vergeeld aan een punaise tegen de muur, de ­vader. En rechts in de werktafel de moeder. Ik word geflankeerd. Zo hou ik stand.
Dat alles weet ik anders ook wel, maar meestal denk ik er niet aan. Gezelschap hoeft niet altijd naast ons te zitten.

Ik kijk even links en rechts in de werkkamer, alsof ik een straat oversteek. Het boek daaren­tegen zoekt alle windrichtingen op. Het is niet te geloven hoe wij per hemelstreek volkomen ­anders omgaan met de dood.
Over de vader heb ik onlangs nacht na nacht gedroomd. In een verre streek houden ze de doden in huis, vaak meerdere jaren. In één droom stonden hij en ik samen in het ouderlijke huis zwijgzaam en schijnbaar eindeloos een laken op te vouwen, nu de moeder er even eindeloos niet meer was.

In de verre streek balsemen ze het lichaam. Vroeger, zo lees ik, met bladeren en kruiden, ­tegenwoordig met injecties van formaline. Ook de dood gaat mee met haar tijd.
Nooit droom ik over de moeder. Haar herinner ik me. Zij is het langst dood, midden in mijn wonderjaren. Ik wist het toen niet, maar haar dood zou de angel zijn in mijn bestaan. Haar parelsnoer ligt dan ook als een kroonjuweel in mijn werklade, altijd binnen handbereik tussen post-its, verlopen agenda’s en paperclips.

De gebalsemde dode, lees ik verder, kan in huis in een eigen kamer liggen of gewoon weken tot jaren ergens in dat huis verblijven, desnoods in de gang. Waar iedereen langs moet. En hij of zij wordt dagelijks zogezegd gevoed. Want zolang zij onderdak zijn, zijn ze zogezegd niet dood. Dan slapen ze, of zijn ze ziek. Zo­gezegd.

Alles over de dood over de hele wereld, zo begrijp ik verder bladerend in het boek, is eigenlijk zogezegd. Weinig omgeven we met zoveel verbeelding als de dood. Ook ik in mijn werkkamer verbeeld me maar wat. Tussen een foto en een parelsnoer. Maar het helpt, al jaren. Zogezegd. Net zoals het voorjaarslicht, dat nu stilaan jubelt over de hele tuin. Na de middag van mijn bestaan.

Ik lees verder over de dood in verre streken. Ik vind het heerlijk. Het is niet te geloven hoe ­fabelachtig wij nu al eeuwen de dood verzinnen. Zogezegd. Zonder de dood, begin ik stilaan te geloven, hadden wij geen enkele verbeelding. Geen proza, geen poëzie, geen muziek. Laat staan de lokzang van onze lichamen. Niet eens een dans. Dan was er alleen een dove, stomme, grauwe, eendere, dodelijke eeuwigheid.

Rechts kijkt de vader aan de muur nu intens mee, links in de lade zwijgt de moeder. Zoals al jaren, ook bij leven. Vóór mij schittert het heersende daglicht. In die driehoek wil ik straks best wel verd­wijnen. Samen met mijn hoogsteigen triangel ­uiteraard, hier nog levend en klinkend en ademend in ons huis.

En dan, net wanneer ik het nu wel heb gehad met de 170.000 doden per dag wereldwijd, alsof de aarde één klok rond crematorium is, lees ik iets wonderlijks.  Niet alleen worden in de verre streek de doden jarenlang als mummies, als eregasten, in huis gehouden, omdat dat nu eenmaal zo hoort, zogezegd – ze worden ook nog eens danig vereerd. Het is niet te geloven, zo verwend worden als dode.
‘Koekjes, sigaretten en allerlei dingen die de overledenen lekker vonden,’ lees ik, ‘worden als offergave bij de kist gelegd.’ Alsof de dood een soort Sinterklaas is.

Ja, kijk, zo wil ik natuurlijk ook wel ooit gaan: voor altijd omringd door ‘allerlei dingen’ die ‘de overledene lekker vond.’
Ik zie me al liggen, in mijn opgespaard lentelicht, in de tuinstoel, hologig achter de zonnebril. Met de koekjes en de sigaretten binnen handbereik. En de poes spinnend op mijn ziel­loze schoot.

 

 

Onvoorstelbaar hoe de lente het licht schildert.
Buiten en binnen.
De kleur van het hout van de stoel. Hij wordt levend.
Het licht danst eromheen.
.

Ik wil deze woorden van Dewulf bewaren.
Sparen.
Voor straks als het donker is.
Buiten en binnen.
.
Een oude man ontsnapt. Aan vroeger. En later.
.
Ik ben een suppoost. Het licht weet dat niet.
Ook Dewulf niet.
Dit dagboek wel. Mijn Museum.
Het is weer een meesterwerk rijker.
.
Woorden gevuld met licht. En dood. Voor het leven.

 

 

PS.
Ik trok de schuifdeur van het terras open.
Dit is geen nieuws. En ook niet belangrijk. Voor jou.
Voor mij wel.
.
Ik voelde de koelte binnen stromen.
Het licht had zich reeds in de lindebomen genesteld.
Als een vroege vogel.
.
De ochtend gaf zich over. Aan de dag. Als een geliefde.

 

 

Afbeeldingsresultaat voor kopland
Foto internet – Stichting Beeldlijn

 

 

Voorjaarsgedicht

.
Deze lente gaat het toch weer
over jou hoewel ik er langzaamaan
wel moe van ben

moe van regen, wind, flarden
bedrieglijk blauw in de lucht,
vage beloften van het einde
van de kou.

Ik weet wel dat ik toch weer
van je hou, maar moeizaam soms,
met dat doelloze

van vogels die er van lijken
te houden in regen en wind
te blijven rondhangen
boven het land.

 

Rutger Kopland
Uit: ‘Het orgeltje van yesterday’
Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 1968

.                                             °°°

 

 

 

Aan zee
schrijft een meeuw
ons samen

tot een strand
van gaan en komen
en het land

dat ons samenhoudt
de dagen soms bedrieglijk blauw
en een late maan

zonder rozen.

 

PS.
Het is eind mei. En ochtend.
Kopland is dood.
Jonger dan ik nu ben.

Ik bewaar hem in een doosje.
Digitaal levend. Als een herinnering.
Nog altijd spreekt hij traag.

Zoals de voren zich neerleggen achter ploeg en paard.
En weemoed
in een bed te wachten ligt.

Op wat komen gaat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

blauwe gedachten


‘Peinzende vrouw in de blauwe japon’ – Sierk Schröder

 

 

 

Ik wou
dat mijn vingers blauw waren
van je gedachten

en dat ik
een adempauze was
in je verlangen

dat ik vol schreef met gemis.

 

 

 

PS.
Ik ontmoette deze blauwe dame zomaar.
Zo zomaar, als het leven is.
Vinden zonder te zoeken.

Haar blauw bedwelmde mij.
En de zwaarte van haar gedachten.
Gesteund door haar armen.

Wat moet het heerlijk zijn.
Een schilder en zijn model.
Zijn Muze.

Ik ben slechts een suppoost.
De angstvallige bewaarder

van de Schoonheid en de Troost.

In mijn Museum. Dit dagboek.